Boekgegevens
Titel: Eerste grondbeginselen der natuurkunde: strekkende tot leesboek voor alle standen hoofdzakelijk tot zelfonderrigt voor jonge lieden, en tot handleiding voor onderwijzers
Auteur: Burg, P. van der
Uitgave: Gouda: G.B. van Goor, 1854
3de, geheel omgewerkte dr.; Oorspr. dr. : 1846
Opmerking: Bevat ook: 'Fondslijst. van den uitgever G.B. van Goor ...' (36 p.)
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 738 F 19
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203607
Onderwerp: Natuurkunde: klassieke fysica: algemeen
Trefwoord: Natuurkunde, Gidsen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Eerste grondbeginselen der natuurkunde: strekkende tot leesboek voor alle standen hoofdzakelijk tot zelfonderrigt voor jonge lieden, en tot handleiding voor onderwijzers
Vorige scan Volgende scanScanned page
Wij hebben gezegd, en de bovenstaande verklaring bewijst het, dat er door
wit licht, ten gevolge van de verschillende lengte der ethergolven, zooveel rin-
gen moeten ontstaan, als er kleuren zijn; deze liggen intusschen gedeeltelijk
over elkander heen, en van daar dat de ringen eene meer gemengde kleur ver-
krijgen.
Behalve op de reeds aangegevene wijze kan men de Newtoniaansche ringen
buitengewoon fraai op de volgende wijze doen optreden. Men neemt een ge-
woon, eenigzius cilindervormig, dun medicijnfleschje van 8 a 10 duim wijdte,
doet er een weinig water en wat groene zeep in , maakt het langzamerhand
goed heet, zoodat door de dampen de meeste lucht wordt uitgedreven, sluit
het vervolgens met eene kurk, en maakt die met lak goed digt. Nu bevestigt
men het fleschje op een plankje, dat op de as D van het toestelletje, onder
fig. 27a blz 79 afgebeeld, kan bevestigd worden Schudt men het fleschje nu,
eer het op dien toestel komt, dan gelukt het al zeer spoedig, om er door het
schuimen een watervliesje iu te verkrijgen, dat geheel afgescheiden van het lager
liggende vocht, boven aan of in het midden van het fleschje rondom aan de
wanden blijft hangen, en alzoo eene afscheiding vormt tusschen het beneden-en
bovengedeelte der flesch. In dezen toestand zet men de flesch nu op de as D
voornoemd, draait het groote rad a met toenemende snelheid rond, en nu ziet
men de helderste kleurenringen op het dunne vlies ontstaan. By zeer snelle om*
draaijing wordt men in het midden eenen scherpbegrensden zwarten ring gewaar.
Misschien heeft daar het vochthuidje zulk eene ondenkbare fijnheid, dat het
slechts uit eene enkelvoudige laag naast elkander liggende atomen bestaat.
Breekt men de beweging af, dan vloeit op eene zeer bekoorlijke wijze het aan
de randen dikkere vocht ouder allerlei kleurschakeringen weder naar het
midden. Doet men deze proef bij lamplicht, dau is het doelmatig om tusschen
het licht en de flesch een mat geslepen glas te plaatsen, want dan vallen de
kleuren beter in het oog.
ZEVEN EN VIJFTIGSTE LES.
Dubbele breking en Polarisatie der lichtstralen.
Alvorens tot de uiteenzetting der bovenstaande eigenschappen des lichts over
te gaan, moeten wij, om verstaanbaar te blijven, den lezer met eene soort van
ligchamen bekend maken, die wij reeds gedeeltelijk in de Xlde les hebben be-
handeld en ons daar onder den naam van kristallen zijn bekend geworden.
Wy bevelen hier de herlezing aan, van hetgeen op bladz. 36 is gezegd.
De gedaante van een kristal heet de kristalvorm. Deze wordt natuurlijk door
zijne wijze van begrenzing of zijne vlakken bepaald. De kristal vlakken worden
altijd als plat of effen aangezien, en indien zij dit in de natuur niet werkelijk
zijn, zoo schrijft men zulks toe aan toevallige storingen, die gedurende de