Boekgegevens
Titel: Eerste grondbeginselen der natuurkunde: strekkende tot leesboek voor alle standen hoofdzakelijk tot zelfonderrigt voor jonge lieden, en tot handleiding voor onderwijzers
Auteur: Burg, P. van der
Uitgave: Gouda: G.B. van Goor, 1854
3de, geheel omgewerkte dr.; Oorspr. dr. : 1846
Opmerking: Bevat ook: 'Fondslijst. van den uitgever G.B. van Goor ...' (36 p.)
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 738 F 19
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203607
Onderwerp: Natuurkunde: klassieke fysica: algemeen
Trefwoord: Natuurkunde, Gidsen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Eerste grondbeginselen der natuurkunde: strekkende tot leesboek voor alle standen hoofdzakelijk tot zelfonderrigt voor jonge lieden, en tot handleiding voor onderwijzers
Vorige scan Volgende scanScanned page
.425
geheele golflengten, zoo zullen natuurlijk de lichtgolven, die zich in de aangege-
vene rigting voortplanten, het deel a in denzelfden of hijna denzelfden slingerings-
toestand brengen; terwijl de golven op A B het volgens de lijn am loodregt op
A B uit den toestand vau rust voeren, doen het die op C D volgens a n; het ether-
deel zal zich dus tusschen deze beide rigtingeiT in bewegen en wel op eenen af-
stand van de plaats a der rust, die bijna dubbeld zoo groot is, als dien het door
een enkel golfstelsel kon verkrijgen: op de plaats a ontstaat bij gevolg eene
sterkere lichtwerking.
Verschillen de wegen, welke AB en CD (zie fig 242) afgelegd hebben, eene
Fig. 242.
halve of een oneven aantal lualen eene halve golflengte, zoo zullen de bij a zameu-
komende golfstelsels op het deel a tegenovergestelde golvingstoestanden over-
brengen; terwijl het stelsel A B het etherdeel naar m voert, tracht het stelsel
CD het zulks naar n te doen; het deel a blijft derhalve in rust en er moet dus op
die plaats duisterheid ontstaan. Naarmate nu het verschil der afgelegde wegen
meer die nadert, welke wij in fig. 241 of 242 hebben voorgesteld, zal de licht-
sterkte grooter of kleiner worden.
Dit een eu ander wordt door de spiegelproef van Fre^ie/aanschouwelijk ge-
maakt.
Om deze proef tot stand te brengen. Iaat men door eene horizontale, zeer
smalle, omtrent 1 streep breede opening in een der vensters van eene voor 't
overige geheel donkere kamer eenen bundel lichtstralen binnen treilen, en geeft
dezen door een spiegel eene horizontale rigting; ofwel men zet zulk eene smalle
spleet voor de vlam eener hel lichtende argandsche lamp; zelfs is eene helder
brandende kaarsvlam, op eenen afstand van 10 tot 12 schreden geplaatst, zonder
scherm voldoende, om het te meldene verschijnsel voort te brengen. Op den af-
stand van 3 tot 4 d van de gezegde 0|)ening in het venster legt men, op eene
horizoutalevlakte,twee even dikke,van achter zwartgemaakte stukken spiegelglas,
zoodanig, dat zij met een' der scherpe, regtlijnige kanten tegen elkander sluiten,
terwijl die lijn van aansluiting evenwijdig loopt met de genoemde spleet in het
venster. Opdat nu de beide spiegelvlakken eeu' zeer stompen hoek met elkander
zullen maken, schuift men onder het, 't verst vau de lichtspleet liggende, glas
eeu stukje papier. In fig. 243 stellen alzoo A B en B C de beide doorsneden der
spiegels voor; zij verbeelden dus hier loodregt op het papier te staan, en maken
19"