Boekgegevens
Titel: Eerste grondbeginselen der natuurkunde: strekkende tot leesboek voor alle standen hoofdzakelijk tot zelfonderrigt voor jonge lieden, en tot handleiding voor onderwijzers
Auteur: Burg, P. van der
Uitgave: Gouda: G.B. van Goor, 1854
3de, geheel omgewerkte dr.; Oorspr. dr. : 1846
Opmerking: Bevat ook: 'Fondslijst. van den uitgever G.B. van Goor ...' (36 p.)
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 738 F 19
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203607
Onderwerp: Natuurkunde: klassieke fysica: algemeen
Trefwoord: Natuurkunde, Gidsen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Eerste grondbeginselen der natuurkunde: strekkende tot leesboek voor alle standen hoofdzakelijk tot zelfonderrigt voor jonge lieden, en tot handleiding voor onderwijzers
Vorige scan Volgende scanScanned page
.418
Er Zijn kijkers, waarin in plaats van twee bolle glazen een dubbel hol oog-
glas wordt gevonden. Deze soort van kijkers noemt men galileïsche oihollandsche
verrekijkers; en inderdaad deze toonen de wijze aan, waarop ze voor de eerste
maal omtrent den jare 1590 in Middelburg werden zamengesteld. Men verhaalt
namelijk, dat de kinderen van den brillenslijper Zacharias Janszen aldaar, met
de glazen van hunnen vader spelende, een paar van deze toevallig zoodanig in
eene buis bragten, dat zij er den haan van den kerktoren vergroot doorheen
zagen ; de vader deelde weldra in het genoegen, dat deze ontdekking den kin-
deren opleverde en hij maakte ze zich ten nutte. Galileï had naauwelijks van
deze onschatbare uitvinding kennis gekregen, of hij volmaakte deze meer en
meer, en stelde weldra verrekijkers zamen, die hem den toegang tot het on-
metelijke hemelruim verleenden, en die later naar hem zijn benoemd geworden.
Zeer groote verbeteringen hebben zij later te danken gehad aan Kepler, New-
ton, Dollond en Fraunhofer.
De hollandsche verrekijker is op de volgende wijze zamengesteld (zie fig. 234):
Fig. 234.
y W stelt het oogglas voor, hetwelk in a 6 een verkleind en omgekeerd beeld
van het verafgelegen voorwerp A B zou voortbrengen, indien de stralen niet
werden opgevangen door de holle lens X IJ, die van de plaats, waar het beeld
a b ontstaan zoude, iets verder is verwijderd, dan de denkbeeldige brandpuuts-
afstand der lens X IJ bedraagt. Lag het beeld juist in het brandpunt van de
lens XIJ, dan zouden de stralen pn, rm, enz. naar dat punt gerigt zijnde,
volgens het vroeger behandelde (zie fig. 196), na hunnen doorgang evenwijdig
aau elkander loopen. In het gegevene geval echter loopen b. v. de van B af-
komende te zamen naar het punt 6, en, na door de ooglens te ziju gebroken,
gaan zij zoodanig uit elkander, alsof zij van een punt b' kwamen, dat aan de
andere zyde der lens ligt. Het beeld b van het punt B des voorwerps, dat ö
zonder de ooglens van beneden naar boven zou schijnen gebragt te zijn, doet a
zich nu weder, door het oog waargenomen wordende, benedenwaarts in b'
voor ; op dergelijke wijze is het ook met elk ander punt a gesteld, en wij zien
derhalve, dat deze inrigting een regtopstaand en vergroot beeld van het voor- O
werp in a b' te voorschijn doet treden. Omdat men nu door den kleinen afstand, 4