Boekgegevens
Titel: Eerste grondbeginselen der natuurkunde: strekkende tot leesboek voor alle standen hoofdzakelijk tot zelfonderrigt voor jonge lieden, en tot handleiding voor onderwijzers
Auteur: Burg, P. van der
Uitgave: Gouda: G.B. van Goor, 1854
3de, geheel omgewerkte dr.; Oorspr. dr. : 1846
Opmerking: Bevat ook: 'Fondslijst. van den uitgever G.B. van Goor ...' (36 p.)
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 738 F 19
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203607
Onderwerp: Natuurkunde: klassieke fysica: algemeen
Trefwoord: Natuurkunde, Gidsen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Eerste grondbeginselen der natuurkunde: strekkende tot leesboek voor alle standen hoofdzakelijk tot zelfonderrigt voor jonge lieden, en tot handleiding voor onderwijzers
Vorige scan Volgende scanScanned page
417
het midden d van het objectief, onder denzelfden hoek cdg — b da gezien
wordt, waaronder het beeld b a zich voordoet, en dat het vergroote beeld
b' a onder den hoek bna zzz. 6' O a' wordt beschouwd ; zoo menigmaal der-
halve de hoek bda in bna begrepen is, of, wat op hetzelfde uitkomt, zoo
menigmaal de brandpuntsafstand m n der oog lens op den brandpuntsafstand d m
der voOrwerplens opgaat, zoo menigmaal zal ook het voorwerp, uit den afstand
gezien, waarop het zich bevindt, schijnbaar vergroot worden.
Door het gezigtsveld van een' kijker verstaat men den hoek edr, waaronder
de buitenste van het voorwerp afkomende en door het oogglas gaande licht-
stralen elkander snijden. Een groot gezigtsveld is bij een' kijker zeer wensche-
lijk, vooral bij sterrekundige nasporingen, waarbij de ligchamen eene sterke
vergrooting moeten ondergaan en er veel van hun licht moet opgevangen worden.
Om een grooter gezigtsveld te verkrijgen, plaatst men bij de astronomische
kijkers tusschen het objectief V fV (zie fig. 233) en de ooglens X V eene derde
lens; deze toch kan stralen opvangen, die de leus X Y buiten haar niet meer
kunnen bereiken; want die stralen worden door haar gebroken, zamen gebragt
en zoo door de lens X V in het oog gevoerd.
Bij de beschrevene verrekijkers vertoonen zich de voorwerpen allen omge-
keerd, en hoewel dit bij de beschouwing der hemellichten en de kijkers, die
men tot het waterpassen gebruikt, niet hinderlijk kan zijn, zoo is het zeer on-
aangenaam en lastig bij kijkers, welke tot het waarnemen van aardsche voor-
werpen worden gebezigd. Om dit ongerief weg te nemen, voegt men den kijker
eene afzonderlijke oogbuis toe, die gewoonlijk 4 glazen bevat, door welke het
omgekeerde beeld nog eens omgekeerd, en dus regt wordt. Bij zulk eene in-
rigting gaat gewoonlijk zeer veel licht verloren, en ziedaar eene reden te meer,
waarom men deze zamenstelling bij de astronomische verrekijkers niet vindt.
Hoedanig de breking der lichtstralen door vier lenzen geschiedt, is ook zonder
teekening wel te verklaren. De lichtstralen namelijk, welke, na elkander ge-
kruist en het beeld a b gevormd te hebben (zie fig. 233), op de voorste lens
X Y vallen, worden door deze gebroken; de van b afkomende gaan door het
glas naar beneden en de vau a uitgaande naar boven ; nu vormt er zich dus
reeds aan de andere zijde der eerste lens een re^t opstóanrf beeld; maar ten einde
nu het gezigtsveld te vergrooten, worden de stralen door eene tweede lens op-
gevangen, en eene derde toegevoerd, die een nieuw regt opstaand beeld doet
ontstaan, hetwelk door het vierde glas, waardoor het oog onmiddellijk waar,
neemt, kan beschouwd worden. Een der volmaaktste kijkers is die van het
observatorium te Pulkewa, naby Petersburg. Hij bezit eene 1000 voudige ver-
grooting, heeft eene opening van ruim 36 duim en een' brandpuntsafstand van
ruim 6,5 el. Een uurwerk regelt de beweging van dit werktuig rondom de
aardas zoo juist, dat eene ster in het midden deskijkers gebragt, er gedurende
den ganschen dag door zigtbaar bhjft, zoodat zij niet van plaats schijnt te ver-
anderen.
19