Boekgegevens
Titel: Eerste grondbeginselen der natuurkunde: strekkende tot leesboek voor alle standen hoofdzakelijk tot zelfonderrigt voor jonge lieden, en tot handleiding voor onderwijzers
Auteur: Burg, P. van der
Uitgave: Gouda: G.B. van Goor, 1854
3de, geheel omgewerkte dr.; Oorspr. dr. : 1846
Opmerking: Bevat ook: 'Fondslijst. van den uitgever G.B. van Goor ...' (36 p.)
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 738 F 19
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203607
Onderwerp: Natuurkunde: klassieke fysica: algemeen
Trefwoord: Natuurkunde, Gidsen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Eerste grondbeginselen der natuurkunde: strekkende tot leesboek voor alle standen hoofdzakelijk tot zelfonderrigt voor jonge lieden, en tot handleiding voor onderwijzers
Vorige scan Volgende scanScanned page
evenwijdig aan de as en de tweede, die in de teekening eigentlijk veel min-
der schuin moest zijn getrokken, door het middelpunt der lens; dan zullen
deze, zoo wij altijd onze herhaalde malen aangegevene wijze van zamenstel-
ling der figuren volgen, bevonden worden elkander in a te snijden ; en even-
eens met de stralen van andere punten B handelende, komen wij tot het be-
sluit, dat ab het omgekeerde beeld is van het verafgelegene voorwerp. Dit
beeld, hetwelk (zie blz. 370), ten gevolge van den grooten afstand, waarop
A B \s gesteld, zich omtrent in het brandpunt van de lens F JV bevindt,
wordt door het oculair XIJ waargenomen, en daartoe moet het, om de
sterkste vergrooting te ondergaan, volgens den even te voren aangegeven regel,
iets digter bij het oogglas liggen dan het brandpunt. Nemen wij aan, dat het
juist in het brandpunt ligt, dan zullen de stralen 6 e en b n, die van het
punt b afkomen, en van welke de tweede door het middelpunt der lens gaat.
na hunnen doorgang door X//evenwijdig aan elkander loopen. Bevindt zich
dus het oog in O dan zal e O, evenwijdig loopende aan bn, welke laatste bij
zijnen doorgang geene breking ondergaat, de rigting zijn, waarin het punt fc*
gezien wordt, en O r, evenwijdig aan a n, de rigting, waarin hel punt a' wordt
waargenomen; b' a' is nu geplaatst op den afstand van duidelijk zien, en is
het ten tweedemale vergroot^ beeld van het verafgelegene voorwerp A B, dat
dus veel naderbij schijnt gebragt te zijn. Men ziet, dat het eerst verkregene
beeld n fc op dezelfde wijze vergroot wordt, als in fig 232 met a' b' plaats
had. De overeenkomst tusschen dezen verrekijker en het mikroskoop is dus in
het oog vallend. Het voornaamste verschil ligt daarin, dat bg de eerste een
groot verwijderd voorwerp een klein beeld vormt, dat door een tweede glas ver-
groot wordt; terwijl bij het mikroskoop een klein nabij gelegen ligchaam een
groot beeld geeft, dat nogmaals grooter wordt gemaakt.
Bij de verbinding van twee bolle lenzen moet haar afstand (en dit blijkt dui-
delijk uil het behandelde) bijna gehjk zijn aan de afstanden van de brandpun-
ten der beide lenzen te zamen genomen. De vergrooting kan gemakkelijk ge-
vonden wordeu door in aanmerking te nemen, dat het voorwerp A B zelf, uit