Boekgegevens
Titel: Eerste grondbeginselen der natuurkunde: strekkende tot leesboek voor alle standen hoofdzakelijk tot zelfonderrigt voor jonge lieden, en tot handleiding voor onderwijzers
Auteur: Burg, P. van der
Uitgave: Gouda: G.B. van Goor, 1854
3de, geheel omgewerkte dr.; Oorspr. dr. : 1846
Opmerking: Bevat ook: 'Fondslijst. van den uitgever G.B. van Goor ...' (36 p.)
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 738 F 19
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203607
Onderwerp: Natuurkunde: klassieke fysica: algemeen
Trefwoord: Natuurkunde, Gidsen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Eerste grondbeginselen der natuurkunde: strekkende tot leesboek voor alle standen hoofdzakelijk tot zelfonderrigt voor jonge lieden, en tot handleiding voor onderwijzers
Vorige scan Volgende scanScanned page
.414
dukt den brandpuntsafstand af; wij hebben dus 5,1 — 5 rrr J laatste
dit verschil in het produkt, dat men bekomt door den afstand, dien het voorwerp
van de lens heeft, met den brandpuntsafstand te vermenigvuldigen; bij ons is dit
produkt 5,1 X 5— 25,5 en dit gedeeld door 0,1 geeft 255; het komende is
dan de afstand, waarop het beeld van de lens zal liggen ; onder de bepaalde gege-
>ens ligt dus het beeld a b', 255 streep van de lens T verwijderd en zal der-
halve 255 gedeeld door 5,1 of 50 maal vergroot worden. Dit beeld a' b' wordt
nu wel niet door een scherm opgevangen, maar het blijft toch niet te min op
de aangeduide plaats aanwezig, geen enkel deel gaat er van verloren, en ouï
dit beeld nu ten tweede male eene vergrooting te doen ondergaan, en als zoo-
danig voor het oog, dat zich vóór de lens O bevindt, op den afstand van dui-
delijk zien waarneembaar te maken, moet het zich tusschen het brandpunt
der lens en de lens zelve beviuden. Volgens den zoo even aangegeven' regel,
hebben wij, om den afetand vau dit beeld te bepalen, indien wij stellen, dat
het oog op 270 streep afstands duidehjk waarneemt : 270 X 20 = 5400 en
dit gedeeld door 270 20 = 290 geeft 18,62 streep; dit is dan de afstand,
waarop het oogglas van het beeld moet gesteld worden. Door deze eenvoudige
berekening is ook tevens de lengte van het mikroskoop gevonden, zooals gij
gemakkelijk kunt inzien. De vergrooting, die het laatste glas zal te weeg
270-1- 20
brengen, is nu (zie blz. 413), -^^- = 14,5. De geheele vergrooting van
dit werktuig zal dus zijn 14>5 X 50 725 en het beeld a" b" zal dan 725
maal grooter dan a b zijn. Dit is nu eene regtlijnige vergrooting, zulk eene n. 1.,
die de lengte, breedte en dikte van het voorwerp ondergaan, en die ook altijd
bedoeld wordt, wanneer men de vergrooting, door een mikroskoop te weeg
gebragt, wil bepalen. De oppervlakte van het ligchaam, dat wij tot onze be-
rekening kozen, is 725 X 725 of ruim 525625 maal, en de geheele inhoud of
omvang ruim 381 millioen malen vergroot; want de meetkunde leert ons, dat
de oppervlakten der gelijkvormige ligchamen tot elkander staan als de vierkanten,
en hunne ligchamelijke inhouden als de kuben der lijnen, die op dezelfde wijze
iu beide ligchamen getrokken zijn.
Men kan de vergrooting van een mikroskoop meten, door er eene verdeelde hjn
op den afstand van duidelijk zien naast te plaatsen, het eene oog buiten het
mikroskoop op deze hjn te rigten en met het andere het beeld van een voorwerp
te beschouwen, waarvan men weet, hoeveel deelen van de schaal het groot is;
neemt men nu waar, hoeveel deelen van de schaal door het beeld worden in-
genomen, zoo is de vergrooting bekend; want laat b. v. het voorwerp 0,1 streep
lengte hebben, en het beeld, gemeten zijnde door de schaal, welke men altijd
met het bloote oog be.schouwt, 1,5 duim lang zijn, zoo is het voorwerp ï«®
150 maal vergroot; veel gemakkelijker wordt evenwel die vergrooting kenbaar
door andere inrigtingen, wier vermelding ons echter te uitvoerig zoude doen
worden.