Boekgegevens
Titel: Eerste grondbeginselen der natuurkunde: strekkende tot leesboek voor alle standen hoofdzakelijk tot zelfonderrigt voor jonge lieden, en tot handleiding voor onderwijzers
Auteur: Burg, P. van der
Uitgave: Gouda: G.B. van Goor, 1854
3de, geheel omgewerkte dr.; Oorspr. dr. : 1846
Opmerking: Bevat ook: 'Fondslijst. van den uitgever G.B. van Goor ...' (36 p.)
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 738 F 19
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203607
Onderwerp: Natuurkunde: klassieke fysica: algemeen
Trefwoord: Natuurkunde, Gidsen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Eerste grondbeginselen der natuurkunde: strekkende tot leesboek voor alle standen hoofdzakelijk tot zelfonderrigt voor jonge lieden, en tot handleiding voor onderwijzers
Vorige scan Volgende scanScanned page
lijk hoog op; en nu bleek bij onderzoek, dat er op de plaat een veel grootere
kring door den bal was afgedrukt, dan bij eene eenvoudige, ligte aanraking het
geval kon wezen. De bal moest dus eenigzins plat zijn geworden. Het is waar,
dit konde ook aan het wegstooten der lucht toegeschreven worden, indien men
niet bevonden had, dat hetzelfde verschijnsel zich opdoet, ingeval er geene
lucht aanwezig is. Daar nu dezelfde proef, met andere vaste ligchamen geno-
men, dezelfde uitwerking opleverde, zoo konde men ook de veêrkracht van
andere vaste stoffen als bewezen aannemen.
Doch is die eigenschap wel algemeen? — Zijn alle ligchamen veérkrachtig? —
Dit zijn zij ongetwijfeld, echter niet allen evenzeer. Bij het onderzoeken dezer
eigenschap door drukking, buiging, in elkander wringing of rekking der ligcha-
men worden, zooals gezegd is, de atomen eenigermate verplaatst: hier digter bij
elkander gebragt, daar verder van elkander verwijderd. Er bestaat voor de
meeste ligchamen eene grens voor deze plaatsverandering, en wanneer men
deze overschrijdt, nemen zij hunnen vorigen vorm niet terug. Men kan
immers balein en rottingriet zoo ver ombuigen, dat het eene gebogene gedaante
behoudt. Hoe verder men gezegde gedaante-verandering bij {Ie ligchamen kan
uitstrekken, zonder hen in de herstelling van hunnen vorm te storen, hoe meer
veêrkracht hun wordt toegekend. Als zoodanig alleen, namelijk in vergelijking
met elkander, zijn er veêrkrachlige en onvêerkrachixge W^chtwncxi. Nog eens ech-
ter zij het herhaald, elk ligchaam toont veêrkracht, wanneerde kracht, die er
op werkt, zekere maat niet te boven gaat. Een der meest veerkrachtige vaste
ligchamen is de elastieke gom; van daar derzelver naam: want veerkracht en
elasticiteit zijn woorden van gelijke beteekenis. Toch is deze gom niet volkomen
elastiek, dat is, zij herneemt haren vorigen vorm niet volmaakt; want lang ge-
rekt wordende, behoudt zij den indruk der kracht. Glas en ivoor zijn bijna vol-
komen veerkrachtig. Lood is schier niet veerkrachtig; evenwel wanneer hel tot
dunne bladen is uitgeslagen, zal het eene kleine buiging toeslaan, en daiirna te-
rugwijken.
Maar hoe is het nu bij de vloeistoffen gesteld?
De lucht is volmaakt veerkrachtig. Zij kan zoo lang en zoo sterk niet wor-
den zamengedrukt, of zij herneemt nog altijd haren vorigen vorm en uitge-
breidheid.
Indien men in een' hollen cilinder, die aan een der einden gesloten is, de lucht
tracht zamen te drukken, doormiddel van eenen zuiger, welke in den cilinder
wordt geduwd, dan wordt bij het wegnemen der drukkende kracht de zuiger
altyd weder op dezelfde plaats terug gevoerd.
De veêrkracht der lucht wordt vooral ook kenbaar bij het vallen of drukken
van eene met lucht gevulde blaas. In het eerste geval springt zij verscheidene
malen op, en in het laatste herneemt zij bij het wegnemen der drukkende kracht
onverwijld haren vorigen vorm. Zoo is het met alle luchtvormige stoffen ge-
steld, en daarom noemt men haar ook wel veerkrachtige vloeistoffen, in onder-