Boekgegevens
Titel: Eerste grondbeginselen der natuurkunde: strekkende tot leesboek voor alle standen hoofdzakelijk tot zelfonderrigt voor jonge lieden, en tot handleiding voor onderwijzers
Auteur: Burg, P. van der
Uitgave: Gouda: G.B. van Goor, 1854
3de, geheel omgewerkte dr.; Oorspr. dr. : 1846
Opmerking: Bevat ook: 'Fondslijst. van den uitgever G.B. van Goor ...' (36 p.)
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 738 F 19
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203607
Onderwerp: Natuurkunde: klassieke fysica: algemeen
Trefwoord: Natuurkunde, Gidsen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Eerste grondbeginselen der natuurkunde: strekkende tot leesboek voor alle standen hoofdzakelijk tot zelfonderrigt voor jonge lieden, en tot handleiding voor onderwijzers
Vorige scan Volgende scanScanned page
40ü
gca boom voor een' mensch, of een' mensch voor eenen toren aanzien; immers
de boom kan op een' grooten afstand onder denzeifden gezigtshoek voorden
waargenomen, waaronder wij een' mensch in onze nabijheid zien ; en eveneens
een' mensch op eenen kleinen afstand onder denzelfden hoek, als eenen toren
op eenen grooten afstand? — Sommige menschen kunnen door oefening met
eene verwonderlijke naauwkeurigheid den afstand bepalen, die het een of
ander verwijderd voorwerp van hen heeft. Het gebruik van de beide oogen
schijnt noodzakelijk om over den afstand van een voorwerp te kunnen oordeelen.
Om dit te bewijzen, stelle men eeu staafje loodregt op de tafel, en beproeve
om, terwijl men het eene oog gesloten houdt, op een' tamelijken afstand van het
staaQe den wijsvinger plotseling op den top der staaf te leggen; het zal ons niet
gelukken: doorgaans schatten wijden afstand te klein.
Indien (zie fig. 221) cb en de de beide oogen zijn, ƒ en j hunne middel-
Fig. 221.
punten of punten, om welke zij
zich draaijen, a een voorwerp,
waarop de beide oogassen c f b
en e g d gerigt zijn, (dat altijd
bij het zien naar eenig voorwerp
plaats heeft) zoo heet de hoek
bad, dien de verlengde oogassen
met elkander maken, den paral-
Uiciischen hoek der oogen; deze
wordt natuurlijk kleiner naarmate
zich het voorwerp a verder ver-
wijdert. Het schijnt dat deze hoek hoofdzakelijk bijdraagt tot begrooting der
afstanden. Ligt het voorwerp a juist even ver van de beide oogen, dan deelt de
lijii a h, die loodregt op de lijn fg valt, welke de draaipunten vereenigt, den
parallactischeu hoek midden door.
Er is uit het behandelde hij fig. 220 verder te leeren: 1° waarom de voor-
werpen, door zich meer en meer van het oog te verwijderen, kleiner schijnen
te worden: in dat geval toch wordt de hoek aob en dus ook het netvlies-
beeld a' b' steeds kleiner; 2° waarom een klein ligchaam, dat zich in ome
nabijheid bevindt, een veel grooter, dat verder afligt, voor het gezigt verbergen
kan; 3o waarom de boomen aau het einde van eene laan kleiner eu digter bij
elkander schijnen te zijn dan aau het begin of iu onze nabijheid. Hoeveel
voordeelen de schilderkunst uit deze waarheden trekken kan, moet in het oog
springen. De begoocheling, die de schermen op de tooneelen der schouw-
burgeu, de panoramaas, cosmoramaas en dioramaas op het gezigt teweeg
brengen, kan alleen door de voorgedragene waarheden verklaard worden.
Geheele boekdeelen zou men over dit onderwerp kunnen vullen, maar het zou
dan ook van een' geheel meetkunstigen aard worden. De kunst, die zich met
de behandeling dezer zaken bezig houdt, heet de perspectief of doorzigtkunde.