Boekgegevens
Titel: Eerste grondbeginselen der natuurkunde: strekkende tot leesboek voor alle standen hoofdzakelijk tot zelfonderrigt voor jonge lieden, en tot handleiding voor onderwijzers
Auteur: Burg, P. van der
Uitgave: Gouda: G.B. van Goor, 1854
3de, geheel omgewerkte dr.; Oorspr. dr. : 1846
Opmerking: Bevat ook: 'Fondslijst. van den uitgever G.B. van Goor ...' (36 p.)
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 738 F 19
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203607
Onderwerp: Natuurkunde: klassieke fysica: algemeen
Trefwoord: Natuurkunde, Gidsen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Eerste grondbeginselen der natuurkunde: strekkende tot leesboek voor alle standen hoofdzakelijk tot zelfonderrigt voor jonge lieden, en tot handleiding voor onderwijzers
Vorige scan Volgende scanScanned page
22
Waarom kan koudeen warmte invloed hebben op den gang der uurwerken?
Waarom zal eene blaas, geheel met lucht gevuld, barsten, ijidien zij sterk ver-
warmd wordt?
Waarom vliegt de stop eener flesch champagne-wijn met een geweldigen slag
in de hoogte, indien men den hals der flesch sterk wrijft?
ZEVENDE LES.
De \eêrkraclil der ligchamen.
Wij zijn genaderd tot aan de zesde der genoemde eigenschappen.
Wanneer gij als kind met stuiters, knikkers of ballen speeldet, zaagt gij die
dan niet wel eens hoog opspringen of ver terugkaatsen, indien ze hard op de
steenen of tegen eenen muur werden geworpen. Ik wil n met de oorzaak van
dit verschijnsel bekend maken, want dit zal tot de kennis der eigenschap, die
wij te behandelen hebben, leiden.
Toen bij eene onzer voorgaande proefnemingen de spons in de hand werd
geklemd, om ze zamen te drukken, hernam zij haren vorigen vorm, toen zy
weder werd losgelaten. Onder het schrijven wijken bij het nederdalen der pen
de punten van elkander, en vereenigen zich weder, als men de pen opligt.
Wordt een stuk elastieke gom of vederhars, het bekende hard gewordene sap
ven den kaout-schoukboom, uitgerekt, het herneemt de vorige gedaante, als de
kracht ophoudt er op te werken. Buigt men de einden van een baleinen rot-
ting of staaf tot elkander, zij hernemen met geweld hunne vorige stelling, als
men ze los laat. Al deze verschijnselen zijn werkingen van denzelfden aard.
De deelen van een ligchaam worden onder de inwerking van uitwendige
krachten uit hunne oorspronkelijke ligging gebragt. Buigt men eene staaf
krom dan zullen de deelen, die aan de bolle of buiten zijde liggen, van elkander
verwijderd, en die aan den binnenkant liggen, digter aaneen gebragt worden.
Giiat deze plaatsverandering der deelen zekere grenzen niet te boven, zoo keeren
de dccleriy zoodra de kracht, door welke zij werden verplaatst, ophoudt te werken,
weder in hunne vorige stelling terug. Het vermogen, waarmede die herstelling
geschiedt, noemt men veerkracht. Welligt is dit woord van eene stalen veér
ontleend, omdat deze die eigenschap in zulk eene hooge mate bezit, dat daar-
van zelfs alleen de gang der zakuurwerken afhangt.
Diezelfde eigenschap was ook de oorzaak van het opspringen der knikkers,
stuiters en ballen. — Toen men den stuiter nederwierp, werd hij op de
plaats, waar hij den steen raakte, een weinig ingedrukt; doch op den eigen'
oogenblik hernam hij zijnen eersten vorm, en moest dus door den tegenstand
van den steen opwaarts of terug springen. Maar is men van die vormverande-
ring zeker? Om deze zekerheid te erlangen, heeft men een' ivoren bal op
eene zeer gladde, met olie bestrekene plaat laten vallen. De bal sprong natuur-