Boekgegevens
Titel: Eerste grondbeginselen der natuurkunde: strekkende tot leesboek voor alle standen hoofdzakelijk tot zelfonderrigt voor jonge lieden, en tot handleiding voor onderwijzers
Auteur: Burg, P. van der
Uitgave: Gouda: G.B. van Goor, 1854
3de, geheel omgewerkte dr.; Oorspr. dr. : 1846
Opmerking: Bevat ook: 'Fondslijst. van den uitgever G.B. van Goor ...' (36 p.)
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 738 F 19
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203607
Onderwerp: Natuurkunde: klassieke fysica: algemeen
Trefwoord: Natuurkunde, Gidsen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Eerste grondbeginselen der natuurkunde: strekkende tot leesboek voor alle standen hoofdzakelijk tot zelfonderrigt voor jonge lieden, en tot handleiding voor onderwijzers
Vorige scan Volgende scanScanned page
.415
Het oog bestaat dan alzoo hoofdzakelijk uit drie tegen elkander liggende
lenzen A, B en C, waarvan hel straalbrekend vermogen is als volgt:
Voor het watervocht in Ai 1,336
Voor de kristallens in B: 1,384
Voor het glasachtig vocht in C: 1,339
Het zien is een gevolg van den stoot, welken de ethergolven op het netvlies
veroorzaken. Door de voortplanting dier trillingen in het oog ontstaan op het
netvlies beelden van de omliggende voorwerpen, eveneens als in de camera ob-
scura. Het oog heeft ook zeer veel overeenkomst met dit werktuig : men heeft
er eene lens B in, eene donkere kamer aa a en eene vlakte b, waarop zich de
lichtstralen vereenigen.
De lichtstralen, die op het uitwendige deel van het oog vallen, kaatsen ge-
deeltelijk naar alle zijden heen van het ondoorschijnend hoornvlies (het wit in
het oog) terug, of dringen door de doorzigtige hoornhuid binnenin het oog;
de buitenste van die doorgedrongene stralen vallen op de regenboogshuid en
worden naar alle zijden onregelmatig verstrooid, waardoor de kleur van het
oog zigtbaar wordt; de middelste echter treden door den oogappel ii (zie fig.
217), vallen op de lens 11 en worden door deze en door de verschillende vochten
gebroken, zoodanig
dat al de stralen,
die van een punt A
van een voorwerp
uitgaan, weder in
een punt op het nel •
'i? vlies in n worden
vereenigd; a is dus
het beeld van A. Immers het punt A zendt een' kegel van lichtstralen naar het
oog, waaraan A zelf de top, en de opening ii van het oog het grondvlak is, en
daar deze kegel door de straalbreking in eenen anderen aii veranderd wordt,
wiens top in a ligt, gelijk wij bij de beschouwing der lenzen zagen, zoo ont-
staat er in a een beeld van het punt A. Op dezelfde wijze wordt in b een beeld
van het punt B voortgebragt; a 6 is dus het beeld van A B, en dit leert ons
de gewigtige waarheid, dat van de om ons gelegene voorvjerpen, welke lichtstralen
naar het oog afzenden, omgekeerde, scherp begrensde en verkleinde beelden op het
netvlies ontstaan. Proeven met de oogen van dieren genomen, waartoe vooral het
oog van een os of een paard het meest geschikt wordt geacht, hebben deze
waarheid ten duidelijkste aan het licht gebragt. Wanneer men zulk een oog
zeer voorzigtig van de harde bniten-bekleedselen ontdoet, om door het glas-
vocht op het netvlies te kunnen zien, en het vervolgens naar een helder verlicht
voorwerp rigt, zoo ontdekt men daarvan op bet netvlies een duidelijk ver-
keerd beeld.
Een kunstig zamenstel is het oog! — Eene geheele land-?treek, met al wat
18'