Boekgegevens
Titel: Eerste grondbeginselen der natuurkunde: strekkende tot leesboek voor alle standen hoofdzakelijk tot zelfonderrigt voor jonge lieden, en tot handleiding voor onderwijzers
Auteur: Burg, P. van der
Uitgave: Gouda: G.B. van Goor, 1854
3de, geheel omgewerkte dr.; Oorspr. dr. : 1846
Opmerking: Bevat ook: 'Fondslijst. van den uitgever G.B. van Goor ...' (36 p.)
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 738 F 19
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203607
Onderwerp: Natuurkunde: klassieke fysica: algemeen
Trefwoord: Natuurkunde, Gidsen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Eerste grondbeginselen der natuurkunde: strekkende tot leesboek voor alle standen hoofdzakelijk tot zelfonderrigt voor jonge lieden, en tot handleiding voor onderwijzers
Vorige scan Volgende scanScanned page
.J
S9-i
216. bolvormige kamer, vertleeld in drie afdeelingen A, B
en C, en omgeven van huiden of bekleedsels. Eene
dier huiden aan, die het gansche oog omvat, heet
de harde huid of het ondoorschijnend hoornvlies; zij
is wit en ondoorschijnend ; waar zy uitwendig zigt-
baar is, is zij meer onder den naam van bet wit van
het oog bekend ; zij loopt aan de voorzijde uit in een
zeer doorschijnend bekleedsel e c, hoomhuid of
doorschijnend hoornvlies genaamd, dat als het ware
een rond venster uitmaakt, waardoor het licht tot de inwendige rnim te van
het oog toetreedt. Het doorschijnend hoornvlies is sterker gebogen dan eenig
ander deel van het oog. Achter de hoornhuid bij i i ligt de iris of regenboogshuid,
welke door de eerstgenoemde heen als een gekleurde ring zigtbaar is en de
kleur der oogen aanwyst; deze regenboogshuid is vlak, en scheidt het gebo-
gene doorzigtige hoornvlies van de overige deelen van het oog af; zij dient als
diaphragma en heeft ook in het midden bij i i eene cirkelvormige opening, die,
van voren gezien, zuiver zwart is en oogappel of pupilla genaamd wordt.
Aan de binnenzijde van het ondoorschijnend hoornvlies, tegen deze aan, ligt
het tweede omkleedsel tusschen aa a en bbb aderhuid of adervlies genaamd,
dat met eene zwarte verfetof is overdekt, ten einde daardoor de beelden in
het binnenste van het oog zooveel sterker zouden kunnen uitkomen en niet
door de terugkaatsing van het licht zouden verzwakken, even waarom men ook
de kijkers en de camera obscura inwendig zwart maakt. Door de aderhuid
heen dringt in O de gezigiszcnuw, die zich onder den naam van netvlies bbb
over de zwarte aderhuid uitstrekt. Dit maakt de derde bekleeding van den
omtrek des oogs uit. Verder zyn de drie afdeelingen boven genoemd, op de
volgende wijze geplaatst en zamengesteld: '1® de ruimte A, achter dc hoorn-
huid of de voorste oogkamer, zij is gevuld met een helder doorschijnend zoutachtig
vocht, wntervocht genaamd j 2° achter de regenboogshuid en den oogappel ligt
de kristallens B, welke door den stralenkrans m m vastgehouden wordt; en
3° de ruimte C achter de kristallens, tusschen deze en het netvlies of de ac/i-
lerste oogkamer, zij is insgelijks gevuld meteen doorschijnend vocht, dat het glas-
vocht genoemd wordt. De kristallens B is aan de achterzijde boller dan van
voren en wordt gevormd door eene uit verschillende lagen bestaande, tamelijk
harde zelfstandigheid. Indien zij door ziekelijke aandoeningen van het oog
ondoorschijnend of mat wordt, gaat het vermogen on. te zien verloren, en zulks il
is onder den naam van graauwe staar of cataract bekend; dit gebrek wordt [)
verholpen door met een fijn en scherp instrument eene opening in de hoorn- t
huid dc c te maken en dan de genoemde lens in het oog neder te drukken of j'
haar er uit te verwijderen, zoodat er het licht niet meer door gaat. Men moet to
jiu zeer bolle glazen vóór de oogen stellen, die vereenigd onder den naam van
£ataract-hril bekend zyn.
k