Boekgegevens
Titel: Eerste grondbeginselen der natuurkunde: strekkende tot leesboek voor alle standen hoofdzakelijk tot zelfonderrigt voor jonge lieden, en tot handleiding voor onderwijzers
Auteur: Burg, P. van der
Uitgave: Gouda: G.B. van Goor, 1854
3de, geheel omgewerkte dr.; Oorspr. dr. : 1846
Opmerking: Bevat ook: 'Fondslijst. van den uitgever G.B. van Goor ...' (36 p.)
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 738 F 19
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203607
Onderwerp: Natuurkunde: klassieke fysica: algemeen
Trefwoord: Natuurkunde, Gidsen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Eerste grondbeginselen der natuurkunde: strekkende tot leesboek voor alle standen hoofdzakelijk tot zelfonderrigt voor jonge lieden, en tot handleiding voor onderwijzers
Vorige scan Volgende scanScanned page
§92

stoffen vindt men in het reeds genoemde flintglas en kroonglas. De bestand-
deelen, waaruit het eerste is zamengesteld, bevatten eene groote hoeveelheid
lood, terwijl in het laatste geen lood wordt gemengd. Een prisma van kroon-
glas, welks brekende hoek 25° bedraagt, geeft een spectrum, dat even lang is
als dat, hetwelk door een prisma van flintglas wordt voortgebragt, welks hoek
omtrent 1groot is. Legt men dus twee prismaas, het eene A (zie (ig. 214)
van kroonglas, met eenen brekenden hoek a van 25',
het andere B van flintglas, met een' brekenden hoek
b van ir 28' naast elkander, derwijze als de figuur het
voorstelt, dan maakt het prisma i?het gekleurde beeld,
dat door A wordt voortgebragt, weder klearloos, of met
een vreemd vfOQvd achromatisch. Zulk een zamengesteld
prisma noemt men daarom achromatisch prisma.
Op dergelijke wijze als het achromatische of klenrschif-
tinglooze prisma stelt men achromatische lenzen zamen,
die dus van het gebrek, waarvan boven sprake is ge-
weest, zijn ontdaan.
De violette straal, zeiden wij, ondergaat door middel van het prisma eene
grootere buiging dau de roode, en hieruit vloeide voort, dat eene bolle lens
de violette stralen na den doorgang sterker deden zamenloopen, of nader bij het
glas vereenigden dan de roode; omgekeerd, zal dan eene holle lens de eerste
meer uit elkander doen loopen dan de laatste. Dit maakt het reeds mogehjk,
om met bolle en holle lenzen van dezelfde glassoort de kleurschifting, door de
eerste te weeg gebragt, weg te nemen; maar dan houdt ook het zamenloopen
der stralen op, dat in ons geval noodzakelijk moet blijven bestaan. Om dit
gebrek nu voor te komen, neemt men eene bolle lens van kroonglas en eene
holle van flintglas, en voegt deze, als in fig. 215 is aangetoond, tegen elkander ;
Fig. 215. daar nu het laatste de kleur-
stralen verder van elkander
verspreidt dan het eerste, zoo
wordt de breking der licht-
stralen na den doorgang niet
weggenomen; alleen wordt
de plaatsp, waar de evenwij-
dig invallende lichtstralen zich vereenigen, of het brandpunt p van het bolle
glas, door de holle lens verder af en dus in m gebragt. De wiskunde bepaalt
hier weder in welk eene verhouding de graden van bol- en holheid tot elk-
ander moeten staan.
Zeker mag dit eene heerlijke uitvinding heeten; zij heeft de voornaamste
gezigtkundige werktuigen aanmerkelijk verbeterd. Hierbij komt nog, dat de
beschrevene vereeniging der beide lenzen bevorderlijk is, om de sphaerische
afwijking te verminderen. Evenwel is geheele opheffing van deze tot nog toe