Boekgegevens
Titel: Eerste grondbeginselen der natuurkunde: strekkende tot leesboek voor alle standen hoofdzakelijk tot zelfonderrigt voor jonge lieden, en tot handleiding voor onderwijzers
Auteur: Burg, P. van der
Uitgave: Gouda: G.B. van Goor, 1854
3de, geheel omgewerkte dr.; Oorspr. dr. : 1846
Opmerking: Bevat ook: 'Fondslijst. van den uitgever G.B. van Goor ...' (36 p.)
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 738 F 19
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203607
Onderwerp: Natuurkunde: klassieke fysica: algemeen
Trefwoord: Natuurkunde, Gidsen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Eerste grondbeginselen der natuurkunde: strekkende tot leesboek voor alle standen hoofdzakelijk tot zelfonderrigt voor jonge lieden, en tot handleiding voor onderwijzers
Vorige scan Volgende scanScanned page
.387
2' dat, wanueer de zon boven den horizon staat, het middelpunt p
even zoo ver ouder, en de top z des hoogs m den horizon zal liggen en er dau
geen regenboog meer kan worden waargenomen, tenzij men hem uit deu top
van eenen mast of van eenen toren gewaar wierde; veel minder zal zich dus
een regenboog vertoonen, wanneer de zou hooger dan 42* 2' staat.
Bevindt zich de zon 10', 20% enz. boven den horizon, dau zal het middel-
punt p 10', 20', enz. onder den horizon liggen, en de boog zal derhalve 42' 2'
min 10' min 20', enz. zich boven den horizon verheffen. Hoe lager dus de zon
staat, hoe grooter de regenboog zich zal vertoonen. Ligt de zon eindelijk in den
horizon, dan zal de boog juist eenen halven cirkel aan den hemel beschrijven.
Alleen dan, wanneer de waarnemer op den top van een' geheel alleen staan-
den en niet zeer uitgebreiden berg zich bevindt, kan hij meer dan den halven
cirkel overzien.
Het gebeurt somtijds, dat men behalve den gewonen regenboog, waarvan lot
dus verre sprake is geweest, nog eenen tweeden ziet, die met den eersten
hetzelfde middelpunt p heeft, maar grooter is, en dus buiten of boven den
eersten ligt. In dat geval noemt men den eersten den hoofdregenboog. Het ont-
staan van den tweeden rust op gelijke beginselen als dat van den eersten;
het eenige verschil, hetwelk er in gelegen is, bestaat daarin, dat de licht-
stralen bij den nevenboog eene dubbele terugkaatsing en dubbele breking
ondergaan. Wij zullen den loop van den lichtstraal weder eerst overwegen.
Zij abcd (zie fig. 210) de regendruppel, sa de invallende straal, die, de lood-
Fig 210. 'Ü" naderende, volgens a 6 gebroken, in
6 ene teruggekaatst wordt, en in d zich
van de loodlijn md verwijderende, in de
rigting do den druppel verlaat. In dat ge-
val kruisen de in- en uitgaande stralen elk-
ander, en maken eenen hoek s eo. Men
ziet uit de teekening. dat hier de minstge-
brokene roode straal do hooger ligt dan
de andere meergebrokene gekleurde stralen;
in het voorgaand geval (zie fig. 208) lag de roode straal onder; daarom zijn
ook de kleuren iu den nevenboog in eene omgekeerde orde ten aanzien der
hoofdregenboog. Volgens dezelfde beginselen als in het voorgaande geval, wordt
aangetoond dat, indien de hoek van invalling san iets meer of minder dan
71' is, de hoeken se o voor de roode stralen 50' 59' en voor de violette 54' 9'
moeten groot zijn, in geval een beduidende lichtindruk in het oog kan wor-
den te weeg gebragt door een' bundel stralen, die omtrent evenwijdig aan elk-
ander in het oog treden
Zij nu in fig. 209 weder in o de waarnemer, op de lijn, die door het mid-
delpunt der zon en het oog des waarnemers getrokken wordt. Zij s' n o een
hoek van 54*9' en s'yo ecu van 50' 59', de eerste gelijk aan nop de tweede