Boekgegevens
Titel: Eerste grondbeginselen der natuurkunde: strekkende tot leesboek voor alle standen hoofdzakelijk tot zelfonderrigt voor jonge lieden, en tot handleiding voor onderwijzers
Auteur: Burg, P. van der
Uitgave: Gouda: G.B. van Goor, 1854
3de, geheel omgewerkte dr.; Oorspr. dr. : 1846
Opmerking: Bevat ook: 'Fondslijst. van den uitgever G.B. van Goor ...' (36 p.)
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 738 F 19
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203607
Onderwerp: Natuurkunde: klassieke fysica: algemeen
Trefwoord: Natuurkunde, Gidsen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Eerste grondbeginselen der natuurkunde: strekkende tot leesboek voor alle standen hoofdzakelijk tot zelfonderrigt voor jonge lieden, en tot handleiding voor onderwijzers
Vorige scan Volgende scanScanned page
.386
Fig. 200.
dit niet duidelijk zijn mogt, verbeeldt u dan slechts, dat op het eene en oz
het andere been van eenen passer is, dat die beenen eenen hoek van 42' 2'
maken, en eindelijk, dat het been o p in p blijft stilstaan, terwijl o s om het
punt p wordt rondhewogen j de cirkel, die daardoor ontstaat, zal dan den
rooden lichtkring voorstellen, dien het oog waarneemt. Ten einde nu den
viol letten kring te verkrijgen, behoort men te bedenken, dat de violette straal
o x, zal hij eenen waarneembaren lichtindruk op het oog te weeg brengen,
een' hoek 5Jco met den intredenden straal sx moet maken van 16'.
Opent men nu weder den passer, totdat de beenen x o en po zulk eenen hoek
vormen, eu laat men weder het been ox zich om op bewegen, dan verkrijgt
men een' anderen cirkel, die kleiner dan de eerste is en dus binnen dezen
ligt. In dien cirkel zal het violette licht gelegen zijn, en dit verklaart dus
al aanstonds, waarom men bij den regenboog de roode kleur boven en de violetU
onder ziet. Het spreekt van zelf, dat de andere kleuren tusschen deze beide
in gelegen moeten zijn De breedte der afzonderlijke kleuren ringen, die om-
trent 30 minuten voor elk beloopt, ontstaat daaruit, dat de zon zelve niet een
enkel lichtgevend punt is, maar zich als eene schijf van omtrent 30 minuten
breedte voordoet. Uit deze verklaring volgt nu :
1' dat de breedte van den regenboog, zoo de zon slechts een lichtend punt
ware, 1* 46' zal zijn ; want trekt men van hoek r o p—42* 2' den hoek x op —
40' 16' af, zoo blijft hoek sox —1' 46' over; neemt men evenwel de breedte
der zou in aanmerking zoo wordt deze hoek 2' 16' ;