Boekgegevens
Titel: Eerste grondbeginselen der natuurkunde: strekkende tot leesboek voor alle standen hoofdzakelijk tot zelfonderrigt voor jonge lieden, en tot handleiding voor onderwijzers
Auteur: Burg, P. van der
Uitgave: Gouda: G.B. van Goor, 1854
3de, geheel omgewerkte dr.; Oorspr. dr. : 1846
Opmerking: Bevat ook: 'Fondslijst. van den uitgever G.B. van Goor ...' (36 p.)
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 738 F 19
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203607
Onderwerp: Natuurkunde: klassieke fysica: algemeen
Trefwoord: Natuurkunde, Gidsen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Eerste grondbeginselen der natuurkunde: strekkende tot leesboek voor alle standen hoofdzakelijk tot zelfonderrigt voor jonge lieden, en tot handleiding voor onderwijzers
Vorige scan Volgende scanScanned page
.884
beide einden op de aarde rustende. Voor zoo ver het in deze beginselen kan
geschieden, willen wij dit heerlijke natuurverschijnsel verklaren.
Al aanstonds merken wij op, dat men nimmer een' regenboog ziet, dan
wanneer men tegelijk regen en zonneschijn heeft, en wel de wolk, waaruit hei
regent, vóór zich en de zon achter zich; verder, dat het middelpunt van dien boog
juist in de lijn ligt, die door het middelpunt der zon en het oog van den waarne-
mer getrokken wordt. Hieruit blijkt reeds aanstonds, dat het van de hoogte
van de zon afhangt, of het middelpunt van den regenboog onder, in of bo-
ven den horizon zal vallen. Beide zaken zullen wij ophelderen.
De regenboog is een gevolg van het breken der lichtstralen in de regen-
druppels : dit hebben de natuurkundigen reeds voor lang beweerd, en de
waarneming, dat men dezelfde kleuren in de zoogenaamde stofbeken ziet (ont-
staande uit den val des waters van eene zeer steile en aanzienlijke hoogte)
als ook in de watervallen, in de fonteinen, in het water, dat bij voorbeeld
door middel van een hoosvat wordt in de hoogte geworpen, was genoegzaam,
om dit gevoelen tot zekerheid te brengen. Dat wy den weg eens nagaan, dien
een zonnestraal in een' regendruppel neemt.
Zij daartoe abce (zie fig. 208) de regendruppel, za een zonnestraal, die
Fig. 208. den druppel in a treft, maken-
de met de loodlijn xy een'
hoek xaz. De weg ab, dien
nu de straal in den druppel
neemt, valt gemakkelijk aan
te wijzen, want gij weet, dat
het brekiugsgetal voor water
is 1^. De straal ab is dus in
den druppel de loodlijn xij
genaderd; in b gekomen, ver-
laat hij voor een deel den
druppel en wordt voor een
gedeelte naar c teruggekaatst,
iilwaar hij op nieuw eene gedeeltelijke terugkaatsing en breking ondergaat.
Dit gebrokene deel gaat bij c weder in de lucht over, terwijl de straal zich
van de loodlijn cij verwijdert, en nu den weg co volgt. De invallende straal
z a maakt nu, na zijne dubbele breking, met den buiten den druppel tredenden
straal co eenen hoek zdo, juist zoo als wij dit bij de dubbele breking in
het prisma hebben opgemerkt. Stelt u voor, dat wij den weg van den rooden
straal hebben beschouwd, de andere ondergaan, zooals u bekend is, eene
grootere breking; voor den violetten straal bij voorbeeld is het brekiugsgetal
1,34 en bij den rooden 1,33. Al de andere gekleurde stralen maken dus
met de loodlijn bij c grootere hoeken, en liggen derhalve bij de uittreding
hooger dan de roode straal c o. Het kau dus zijn, dat een oog, 't welk by o deu