Boekgegevens
Titel: Eerste grondbeginselen der natuurkunde: strekkende tot leesboek voor alle standen hoofdzakelijk tot zelfonderrigt voor jonge lieden, en tot handleiding voor onderwijzers
Auteur: Burg, P. van der
Uitgave: Gouda: G.B. van Goor, 1854
3de, geheel omgewerkte dr.; Oorspr. dr. : 1846
Opmerking: Bevat ook: 'Fondslijst. van den uitgever G.B. van Goor ...' (36 p.)
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 738 F 19
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203607
Onderwerp: Natuurkunde: klassieke fysica: algemeen
Trefwoord: Natuurkunde, Gidsen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Eerste grondbeginselen der natuurkunde: strekkende tot leesboek voor alle standen hoofdzakelijk tot zelfonderrigt voor jonge lieden, en tot handleiding voor onderwijzers
Vorige scan Volgende scanScanned page
.382
des lichts, heeft zich van zelf de oorzaak doen kennen van de verschillende
kleuren, die de voorwerpen hebben, welke ons omringen, en die zooveel bij-
dragen tot veraangenaming van ons leven. JVit, vooronderstelt men, is een
ligchaam, dat de kieurenstralen op dezelfde wijze vereenigd of vermengd terug-
kaatst, als het die van de zon of eenige andere lichtgevende stof ontvangt;
het is zwarl, indien het van geene der gekleurde stralen er zoo velen in het
oog zendt, als vereischt wordt, om een' waarneembaren indruk te weeg te
brengen Zwart is dus eigentlijk geene kleur. Al de overige kleuren moeten
worden voortgebragt, doordiende ligchamen óf eenen enkelen straal, öfeenige
stralen vereenigd terugkaatsen en de andere in zich besloten houden of wel
doorlaten. Zoo kaatst bij voorb. eene roode stof alleen den rooden straal, of
liever al die kleuren van het spectrum terug, waarin het rood de overhand
heeft, en slorpt de overige kleuren op. Bewonderenswaardig waarlijk is de ver-
scheidenheid der kleuren, die deze op duizenderlei wijze vermengde gekleurde
stralen scheppen; en wij kunnen de gedachte niet onderdrukken aan een on-
begrijpelijk wijs en weldadig Wezen, dat de ligchamen ten opzigte van het
licht zulke schoone eigenschappen schonk.
De doorschijnende ligchamen bezitten ten opzigte van het licht, dat zij
doorlaten of terugkaatsen, merkwaardige eigenschappen. Sommige namelijk
laten lichtstralen door, die gehjke kleur bezitten met die, welke zij terugkaat-
sen of verspreiden; dit is het geval met gekleurd vensterglas. Anderen laten
stralen van eene zekere kleur door, en kaatsen er van eene audere kleur terug;
hiertoe behoort water, dat eenigen tijd met stukken van de bast des wilden
kastanjebooms in aanraking is geweest en er vuil, geelachtig bruin uitziet,
wanneer men er door heen kijkt, maar zich violetkleurig blaauw vertoont,
indien de goed verlichte oppervlakte het licht in het oog terugkaatst. Ook
zeer dunne goudblaadjes kaatsen voornamelijk geel en rood licht terug, ter-
wijl zij op glas geplakt zijnde groen licht doorlaten. Dat het doorgelatene
licht de complementaire kleur heeft van het teruggekaatste kan uit het voor-
afgaande worden toegelicht.
Even als men het witte licht door middel van het prisma in zeven kleu-
ren heeft kunnen splitsen, kan men de kleuren der voorwerpen ontleden, en
onderzoekeu, welke kleuren er aan het onvolledige spectrum, dat zij geven,
ontbreken, om wit licht te vormen. Hiertoe legt men op een' zwarten grond
eenige helder gekleurde strookjes papier, die omtrent eene streep breed zijn,
eu wel in diervoege als ze in fig. 206 zijn afgebeeld, w zij wit, g geel,
O oranje, r rood, gr groen en b blaauw. Beziet men nu deze gekleurde strook-
jes op eenige voeten afstands door het prisma, zoo schijnen zij van hunne
plaats geweken en tevens zijn al hunne kleuren ontleed, zooals dit eenigzins
onder ieder papiertje in de figuur is duidelijk gemaakt. Het witte papier
geeft een vrij volkomen spectrum; het spectrum van het geel komt dat van
het wit het meest nabij : daarin is rood, oranje, geel en groen aanwezig, maar