Boekgegevens
Titel: Eerste grondbeginselen der natuurkunde: strekkende tot leesboek voor alle standen hoofdzakelijk tot zelfonderrigt voor jonge lieden, en tot handleiding voor onderwijzers
Auteur: Burg, P. van der
Uitgave: Gouda: G.B. van Goor, 1854
3de, geheel omgewerkte dr.; Oorspr. dr. : 1846
Opmerking: Bevat ook: 'Fondslijst. van den uitgever G.B. van Goor ...' (36 p.)
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 738 F 19
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203607
Onderwerp: Natuurkunde: klassieke fysica: algemeen
Trefwoord: Natuurkunde, Gidsen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Eerste grondbeginselen der natuurkunde: strekkende tot leesboek voor alle standen hoofdzakelijk tot zelfonderrigt voor jonge lieden, en tot handleiding voor onderwijzers
Vorige scan Volgende scanScanned page
.376
Ook op plantaardige stoffen is de invloed van het licht in het oogloopend;
het bevordert namelijk de vereeniging van de zuurstof des dampkrings met
de koolstof en waterstof der plantaardige ligchamen. Van daar het bleeker
worden van plantaardige verwstoffen in het zonnelicht; het geel worden der
terpentijnolie, enz. Wij maakten u ook reeds opmerkzaam op de noodzakelijk-
heid van het licht voor den groei der planten.
Dit een en ander nu bragt Wedgwood, Davy, Niepce, Talbot en anderen
op het denkbeeld om op papier, dat met eene chloorzilver-oplossing doortrokken
was, het licht te doen inwerken, en hunne bemoeijingen leidden Daguerre
gedeeltelijk tot die uitvinding, welke met regt door de geheele wereld is bewon-
derd geworden. Hebben de Franschen onlangs zijne nagedachtenis vereerd, door
de oprigting eeuer eenvoudige tombe op zijn graf, zijn naam was intusschen
in de kunst zelve vereeuwijjd. Daguerre plaatste in de camera obscura, tegen-
over de lens, eene plaat, bedekt met eene zelfstandigheid, waarop het licht
verkleurend konde inwerken, ten einde alzoo het zonlicht zelf de voorwerpen
te doen afteekenen. Na tallooze eu kostbare proefnemingen gelukte het hem,
hiertoe het volgende voorschrift als voldoende te kunnen bekend maken. Eene
koperen, met eene dunne laag zilver bedekte plaat wordt boven op een porse-
leinen of glazen bakje gelegd, waarin zich jodium bevindt (eene stof, die voor-
namelijk uit eene zeeplant, varek, wordt getrokken en een naar potlood gelij-
kend vast ligchaam uitmaakt). Deze stof, bij den gewonen graad van warmte
uit zich zelve verdampende, vereenigt zich met het zilver der plaat, en vormt
weldra over de geheele verzilverde oppervlakte eene gele laag, welke zeer ge-
voelig voor het licht is. Thans wordt de plaat, zorgvuldig buiten invloed van
het licht gehouden zijnde, in de camera obscura tegenover de lens gebragt,
die vooraf door proefneming op den vereischten afstand van de plaats A D
(zie fig. 201), waar de plaat moet ingeschoven wordeu, gesteld is. De spiegel
is nu niet aanwezig. Na eene korte poos in de kast te zijn geweest, wordt de
plaat er weder uitgenomen. Men ziet er thans nog geen spoor van eenig beeld
op ; maar de beelden treden te voorschijn, indien men de plaat in een kastje
boven den damp van verhit kwikzilver legt. Zoodra de beelden duidelijk ge-
noeg door den kwikzilverdamp zijn uitgekomen, moet de plaat worden afge-
wasschen met eene oplossing van ouderzwaveligzure potasch, of, bij gebreke
van dien, met eene kokend heete oplossing van keukenzout. Hierdoor wordt
het jodium der plaat opgelost en alzoo eene verdere verkleuring door het licht
voorgekomen.
Maar hoe komt het, dat eerst door de bedamping met kwikzilver de tee-
kening te voorsehijn treedt ? Hieraan geeft men de volgende verklaring : vódr
de bedamping met kwikzilver geschiedde, had het licht op de met jodium-
zilver bedekte plaat- reeds eene scheikundige werking uitgeoefend; die deelen
der plaat namelijk, welke in de camera obscura het meest aan de werking van
het licht waren bloot gesteld, dat wil zeggen, de plaatsen, welke met de meest