Boekgegevens
Titel: Eerste grondbeginselen der natuurkunde: strekkende tot leesboek voor alle standen hoofdzakelijk tot zelfonderrigt voor jonge lieden, en tot handleiding voor onderwijzers
Auteur: Burg, P. van der
Uitgave: Gouda: G.B. van Goor, 1854
3de, geheel omgewerkte dr.; Oorspr. dr. : 1846
Opmerking: Bevat ook: 'Fondslijst. van den uitgever G.B. van Goor ...' (36 p.)
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 738 F 19
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203607
Onderwerp: Natuurkunde: klassieke fysica: algemeen
Trefwoord: Natuurkunde, Gidsen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Eerste grondbeginselen der natuurkunde: strekkende tot leesboek voor alle standen hoofdzakelijk tot zelfonderrigt voor jonge lieden, en tot handleiding voor onderwijzers
Vorige scan Volgende scanScanned page
.309
Fi(j. 196. deelte uitmaakt.
Bij plat holle gla-
zen ligt dat punt
Fy oF het brand-
punt van even-
wijdig opvallen-
de stralen, op
twéé malen den
afstand van den
genoemden straal
eF. Concave glazen hebben dus inderdaad slechts een ingebeeld, geen wezentlijk,
een ne^aïi^brandpunt, want er is eigentl^k geen punt, waar zij na den door-
gang worden vereenigd. Wij zullen ons verder met tle/.'e lenzen niet langer
bezig houden ; er is genoeg van gezegd, om hetgeen er zal volgen te doen ver-
staan.
Voor hen, die het divergerende der door concave lenzen tredende lichtstralen
willen doen zien, zij hier nog opgemerkt, dat het horologieglas, hetwelk in
den meergenoemden bak met de bolle zijde naar binnen is gekeerd, hiertoe
zeer goed dienen kan. Indien namelijk in het water een weinig krijtpoeder is
gemengd en er wordt een licht tegenover de holle zijde van het glas gehou-
den, wordt het verstrooijen of uiteenloopen der lichtstralen duidelijk zigtbaar*
Het is van zeer veel oelang, te onderzoeken, hoe en waar er door de beide
soorten vau lenzen beelden zullen gevormd worden vau voorwerpen, die zich
op verschillende afstanden van het brandpunt bevinden. Wij gaan hier tot
dit onderzoek over.
Zij F/r (zie fig. 197) eene lens; ^ fi eeu verlicht voorwerp, dat zich verder
van de lens bevindt, dan het brandpunt F. Ten eifide nu dc plaats van het
beeld te vinden, neme men van den stralen'-kegel, die van het punt A uitgaat,
slechts de stralen Ae en J O in aanmerking. De eerste, evenwijdig aan de as
F O loopende, gaat door het bran<lpuut F\ dAt aau de andere zijde der lens
ligt; de tweede straal A O gaat regt door het middel'punt der lens ; beide stra-
len, na hunnen doorgang behoorlijk verlengd zijnde, ontmoeten elkander iu
a, en dit punt is derhalve, volgens het vroeger aangetoonde, het l^eld van
A. Op dezelfde wijze bepaalt men door middel van de stralen i? O en B d, die
van het punt B uitgaan, de plaats vau het beeld b van dat punt. (De lezer ver-
beelde zich dat onder n aan de punt der pijl eene a en boven n eene b staat.)
Wij zien dus, dat a b het omgekeerde beeld is van A B. Aa en Bb zijn volgens
het behandelde op bladz. 3^5 nevenassen; onze constructie heeft doen zien, dat
op deze nevenassen het vereenigingspuut ligt der stralen, die rondom deze
assen de lens treffen.
Als wij ons verbeelden, dat het oog in het midden O van de lens f^ fV ge-
plaatst is, dau ziet dit het voorwerp en het beeld onder even groote hoeken,
17