Boekgegevens
Titel: Eerste grondbeginselen der natuurkunde: strekkende tot leesboek voor alle standen hoofdzakelijk tot zelfonderrigt voor jonge lieden, en tot handleiding voor onderwijzers
Auteur: Burg, P. van der
Uitgave: Gouda: G.B. van Goor, 1854
3de, geheel omgewerkte dr.; Oorspr. dr. : 1846
Opmerking: Bevat ook: 'Fondslijst. van den uitgever G.B. van Goor ...' (36 p.)
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 738 F 19
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203607
Onderwerp: Natuurkunde: klassieke fysica: algemeen
Trefwoord: Natuurkunde, Gidsen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Eerste grondbeginselen der natuurkunde: strekkende tot leesboek voor alle standen hoofdzakelijk tot zelfonderrigt voor jonge lieden, en tot handleiding voor onderwijzers
Vorige scan Volgende scanScanned page
.368
migheid. Die lichtstralen, welke bij convexe lenzen niet door het brandpunt
gaan, dewijl zij te ver van het optisch middelpunt der lens vallen, vormen
hrandlijneriy beter gezegd, door de aaneenschakeling dezer meer verlichte plaat-
sen, rondom de as der lens, doen zij brandvlakken ontstaan. Deze brandvlak-
ken zijn zeer goed te zien, indien men den op bladz. 358 beschrevenen bak
met water vult, waarin een weimg zeerJijn verdeeld krijt is geroerd, en men
vervolgens, door het met de bolle zijde naar buiten gekeerde horologieglas
lichtstralen in het water laat vallen. De in het vocht zwevende fijne krijt-
deeltjes worden dan door de zamenloopende lichtstralen verlicht, en daardoor
de genoemde waarheden zigtbaar voorgesteld. Eene nadering van het licht tot
het glas heeft eene verwijdering van het punt ten gevolge, waar de stralen
zamenloopen. Deze proeven zijn zeer leerzaam. Is een glas rt c (zie fig. 195)
Fig. 195.


dubbel hol (biconcaaf) dan worden de lichtstralen na hunnen doorgang ver-
spreid en nooit vereenigd. ef stelt weder de as der lens voor; de straal eg
tot de lens genadtird zijnde, valt daar als ware het op het vlak hi, dat de
bolronde oppervlakte « t» c in dat punt raakt. De straal eg nadert in het glas
de loodlijn v/, die regtstandig op het rakende vlak /i i getrokken is, en neemt
den weg g m aan; de raaklijn n i;, rakende d<ï kromme b d in het punt m, en
de daarop loodregte <y bepalen weder de rigting m r, die de straal neemt,
als hij op nieuw bij m in de lucht treedt. De lichtstraal es verkrijgt om de
uiteengezette reden na zijnen doorgang de rigting tn. De stralen m r eu tu
divergeeren derhalve en schijnen van een punt v te komen, dat digter bij de
lens ligt dan e.
Kvenwijdig opvallende stralen a fc, erf enz. (zie fig. 196) zullen zoodanig ge-
broken worden, als of zij van een punt F kwamen, dat weder op een' afstand
vau het glas ligt, gelijk aau den straal eFvan den bol, waarvan be g een ge-