Boekgegevens
Titel: Eerste grondbeginselen der natuurkunde: strekkende tot leesboek voor alle standen hoofdzakelijk tot zelfonderrigt voor jonge lieden, en tot handleiding voor onderwijzers
Auteur: Burg, P. van der
Uitgave: Gouda: G.B. van Goor, 1854
3de, geheel omgewerkte dr.; Oorspr. dr. : 1846
Opmerking: Bevat ook: 'Fondslijst. van den uitgever G.B. van Goor ...' (36 p.)
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 738 F 19
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203607
Onderwerp: Natuurkunde: klassieke fysica: algemeen
Trefwoord: Natuurkunde, Gidsen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Eerste grondbeginselen der natuurkunde: strekkende tot leesboek voor alle standen hoofdzakelijk tot zelfonderrigt voor jonge lieden, en tot handleiding voor onderwijzers
Vorige scan Volgende scanScanned page
.365
noemt evenwel ook lenzen, zulke glazen, die aan den omtrek dik zijn, en
naar het midden toe dunner worden. In het algemeen zijn dus lenzen zulke
doorschijnende ligchamen, welke de eigenschap bezitten, om het zamenloopen
der lichtstralen te vermeerderen of te verminderen. Er zijn derhalve verschiN
lende soorten van lenzen.
Nevenstaande afbeelding (zie fig. 190) doet de doorsnede kenneu van de
verschillende soorten
van lenzen. Men be-
denke bij de beschou-
wing dezer figuren wel,
dat de glazen allen,
even als het brandglas,
eenen ronden vorm
hebben, a stelt de
doorsnede voor van
een dubbel bolvormig of
biconvex glas: hierbij zijn de oppervlakten naar buiten omgebogen; b die
van eene plal-bovnrmige of planconvexe lens : deze is door eene platte en
bolle zijde begrensd; c eu d verbeelden lenzen, die door eene holle en holle
vlakte zijn begrensd : de eerste echter is iu het midden dikker eu de tweede
dunner dan aau den omtrek; zij wordeu concaaf convexe linzen genoemd;
terwijl men c, die twee holle gebogene oppervlakten heefl, eene biconcave en
ƒ, die aan de eene zijde plat is, eene planconcave lens noemt. De drie eerste,
welke in het midden dikker zijn dan aan den rand, doen de stralen na hunnen
doorgang zamenloopen (convergeeren): de drie laatste uerujyrfrren (divergeeren)
deze meer van elkander. Daarom hectende drie eerste verzamel-, de drie laatste
t erslrooijingsAcnzen.
Wij willen eenige der voornaamste waarheden , die er zich bij dubbeld
convexe en dubbeld concave lenzen voordoen, door tcckeningen trachten op te
helderen, en zulhm daarbij altijd vooronderstellen, dat de lenzen van glas
zijnen de ueide bolle of holle oppervlakten dier ligchamen deelen zijn der op-
l>ervlakken van even groote bollen, dat wil zeggen, dat zij dus gelijke kromming
beritten ; zoodanig toch kan de bescjionwing het gemakkelijkst gevolgd worden.
191.
Fig. 191 doet zien, op welke wijze
men zich kan voorstellen, dat eene
biconvexe Iers wordt voortgebragt. De
beide cirkels ab c m en fg h I behooren
eigenlijk tot twee glazen bollen, wier
j^' stralen A-een ie ziju. lletstuk eldm,
dat deze bollen met elkander gemeen
hebben, vormt nu de leus. k i is de
os der lens; km oi k e de krotnmings-