Boekgegevens
Titel: Eerste grondbeginselen der natuurkunde: strekkende tot leesboek voor alle standen hoofdzakelijk tot zelfonderrigt voor jonge lieden, en tot handleiding voor onderwijzers
Auteur: Burg, P. van der
Uitgave: Gouda: G.B. van Goor, 1854
3de, geheel omgewerkte dr.; Oorspr. dr. : 1846
Opmerking: Bevat ook: 'Fondslijst. van den uitgever G.B. van Goor ...' (36 p.)
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 738 F 19
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203607
Onderwerp: Natuurkunde: klassieke fysica: algemeen
Trefwoord: Natuurkunde, Gidsen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Eerste grondbeginselen der natuurkunde: strekkende tot leesboek voor alle standen hoofdzakelijk tot zelfonderrigt voor jonge lieden, en tot handleiding voor onderwijzers
Vorige scan Volgende scanScanned page
3Ö3
Fuj. 188. en volgens <le lijn m O
voortgaan. De rigting
der lijnen im en m O
wordt o|) de volgende
wijze Ix'paald.
Men trekke namelijk
uit het punt ieen' cir-
kel, late uit de plaats,
waar deze den licht-
straal j4 i snijdt, eene
loodlijn op a 6 vallen, en handele met deze even als in fig. 178 met de Ijio
A: O is gedaan, indachtig zijnde, dat men op deze 3 en 2 deelen neme, want het
hrekingsgetal is \oor glas Eveneens ga men te werk in den cirkel, die uit het
punt m is beschreven. Het punt A zal dus iu de rigting van O m ergens in
A' gezien worden, en gij bemerkt hieruit, dat het ligchaam naar den breken-
den hoek r vau het prisma verplaatst schijnt. Wij zouden de ligchamen zoo-
doende twee malen kunnen waarnemen: eens onder de zijde/xy van het prisma
door, en eens in de rigting der lijn O A\ \Xe\k verhand er beslaat tusschen
den hrekendeu hoek r van het prisma en de afwijking van de stralen A i en
mO ; in welk geval er de minste afwijking zal plaats hebben ; welk voortreffe-
lijk middel deze kennis oplevert, om het hrekingsgetal voor alle stoffen te be-
palen, veel gemakkelijker en juister dan op de reeds beschreven wijze; hoe
men, door vloeistoffen te gieten in de opening, die men tusschen de l>eide
vlakken pr en 9 r van een prisma weet te verkrijgen, ook voor de vloeistoffen
het brekingsgetal kan bepalen ; hoe men daardoor zelfs de hoeveelheid alcohol,
die er in bier, brandewijn, enz. voorhanden is, weet aan te wijzen ; hoe men
het breking&vermogen van verschillende gassoorten bepaalt; onder welken
hoek de lichtstraal Ai moet invallen, opdat er in m eene spiegeling en geene
uittre<ling van den straal zal plaats hebben, dit alles moet ik met stilzwijgen
voorbijgaan, want gij zoudt, tot goed verstand dezer zaken, kennis van de
driehoeksmeting moeten liezitteii.
Aangaande dit laatste punt alleen, de inwendige spiegeling namelijk, willen
wij echter nog opmerken, dat hierop dc zamenstelling van een merkwaardig
werktuig berust, hetwelk dikwijls tot het nateekenen van voorweqien naar
de natuur gebruikt wordt, en naar zijnen uitvinder de ramcra Imida, dat
is de heltlcre kamer van Wollaslon genoemd wordt, hoewel het niets heeft,
dat het oj) den naam van kamer aanspraak geeft.
Dit zeer zinrijk uitgeilachte w:'rktuig bestaat uit een vierhoekig glazen pris-
ma, waarvan de doorsuc»de AH CD in fig. 180 is afgel^eeld. De zijden A iS
en BC slaan regtlioekig op elkander. De zijden AD en CD maken in D
reglen hoek of een hoek van 135 graden; terwijl de hoeken in A en C even
groot eu dus ieder 67^ graad worden genomen. Dit aldus zeer zorgvuldig