Boekgegevens
Titel: Eerste grondbeginselen der natuurkunde: strekkende tot leesboek voor alle standen hoofdzakelijk tot zelfonderrigt voor jonge lieden, en tot handleiding voor onderwijzers
Auteur: Burg, P. van der
Uitgave: Gouda: G.B. van Goor, 1854
3de, geheel omgewerkte dr.; Oorspr. dr. : 1846
Opmerking: Bevat ook: 'Fondslijst. van den uitgever G.B. van Goor ...' (36 p.)
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 738 F 19
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203607
Onderwerp: Natuurkunde: klassieke fysica: algemeen
Trefwoord: Natuurkunde, Gidsen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Eerste grondbeginselen der natuurkunde: strekkende tot leesboek voor alle standen hoofdzakelijk tot zelfonderrigt voor jonge lieden, en tot handleiding voor onderwijzers
Vorige scan Volgende scanScanned page
3S5
gedekt niet een tamelijk dik stuk helder glas, en de kleine eenvoudig met eene
kurk gesloten. Deze kuip wordt, na haar op eene hoogte van ruim 2 el of hooger
boven den grond te hebben geplaatst, vol water gegoten, en vervolgens tegen
over het glas eene sterk lichtende lamp gebragt. Het best voldoet het Drum-
mond's kalklicht of het electrische koolspitsenlicht. Dit licht, nog sterk door een
bol glas geconcentreerd, wordt geheel ter zijde afgesloten, zoodat alleen het wa-
ter in den cilinder door het glas heen het licht ontvangt. Neemt men nu
de kurk uit de opening weg, Zoo verkrijgt de parabolische waterstraal, die
het vat verlaat, het doorvallende sterke licht; de lichtstralen worden nu in
den waterstraal voortdurend gespiegeld, verlaten hem niet en het water blijft
tot op,den bodem toe, waar het wordt opgevangen, helder verlicht; het is
als of een stroom lava of gloeijend metaal het vat verlaat, en het verschijn-
sel wordt irog te liefelijker, wanneer men tusschen het licht en het glas, dat
het Water dekt, een stuk glas brengt, dat hoog rood gekleurd is.
Het is uit den loop der redenering reeds gebleken, dat niet alle middelstof-
fen de lichtstralen even sterk breken. Zoo is bijvoorb. de breking in gewoon
glas sterker dan in water.
Wanneer een lichtstraal uit lucht in glas overgaat, zullen de meergenoemde
loodlijnen op de lijn pp* of de sinus van den invallingshoek en die van den
brekingshoek (zie fig. 177) bijna tot elkander staan als 3 tot 2, dat is, het
straalbrekingsgetal zal 1,5 zijn, en de lichtstralen zullen uit glas niet meer iii
de lucht kunnen overgaan en dus aan de oppervlakte mu^en^i^ gespiegeld worden,
indien de hoek, dien de lichtstraal met de loodlijn maakt, gehjk is aau 41 ö*"^*
den en 4^ minuten.
in het algemeen mag meu stellen, behoudens da weinige uitzonderingen, die
hierop zijn, dat, hoe meer de beide middels to ff en in digtheid verschillen, de lichtstraal
des te sterker zal gebroken worden; Inj zal dus minder door lucht dan door water,
door waler minder dan door zout, door zout minder dan door glas, enz. ge-
broken worden. Waarom zal nu warm water het licht minder breken dau
koud water?
Newton ontdekte, dat brandbare ligchamen het licht sterker breken, dan wel
naar evenredigheid van de digtheid het geval konde zijn, en daar hij bevond»
dat diamant de lichtstralen zeer sterk, ja sterker dan eenige andere hem be-
kende stof brak, zijnde hier het brekingsgetal 2,47, leidde de schrandere man
hieruit af, dat dit ligchaam brandbaar zijn moest, iets, hetwelk door latere
natuurkundigen proelondervindehjk bevestigd is.
Tot verklaring der brekingsverschijnselen neemt men aan, dat de ether in
elk ligchaam zich in een digteren toestand bevindt dan in de luchtledige
ruimte, dat zij ook in water bijvb. digter is dau in lucht, en in glas weder
digter dau iu water enz., zonder daarom meer veerkracht te bezitten, iets dat
wij bijvoorb. bij digterc lucht, in vergelijking van dunnere, wel opmerken.
Uit die meerdere digtheid des ethers volgt eene langzamere voortplanting der