Boekgegevens
Titel: Eerste grondbeginselen der natuurkunde: strekkende tot leesboek voor alle standen hoofdzakelijk tot zelfonderrigt voor jonge lieden, en tot handleiding voor onderwijzers
Auteur: Burg, P. van der
Uitgave: Gouda: G.B. van Goor, 1854
3de, geheel omgewerkte dr.; Oorspr. dr. : 1846
Opmerking: Bevat ook: 'Fondslijst. van den uitgever G.B. van Goor ...' (36 p.)
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 738 F 19
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203607
Onderwerp: Natuurkunde: klassieke fysica: algemeen
Trefwoord: Natuurkunde, Gidsen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Eerste grondbeginselen der natuurkunde: strekkende tot leesboek voor alle standen hoofdzakelijk tot zelfonderrigt voor jonge lieden, en tot handleiding voor onderwijzers
Vorige scan Volgende scanScanned page
2
Uit eene oplettende beschouwing van fig. 177 eit 178 kan men al ligtelijk
afleiden, dat een lichtstraal, die iu het water zich voortplant (wij bepalen ons
gemakshalve voor alsnog bij de beide middelstoffen lucht eu water], zóó schuin de
oppervlakte van het vocht kan trefFen, dat hij bij zijn' overgang in de lucht
zich niet meer van de loodlijn zou kunnen verwijderen; in dat geval kan het
licht niet in de lucht treden en wordt het dus aan de grensvlakte des waters
er weder in teruggekaatst. Hierdoor ontstaat dan eene inwenduje of totale terug-
kaatsing of spiegeling, en deze treedt in, waimeer de lichtstraal met de lood-
lijn eenen grooteren hoek maakt dan 48 graden en 35 minuten.
Teneindede totale reflectie goed aanschouwelijk te maken,vervaardige men zich
een vierkant houten bakje van ongeveer 2 palm lengte en 1 palm breedte, staande
op 4 pootjes, die 1 palm lang zijn. Eeu der korte zijwanden make men van glas,
in den budem bore men een rond gat, en wel bijna tegen deu korten zijwand aan,
welke o\er die van glas is gelegen. In dat gat bevestige men een lampenglas en
giete den bak vol water. Houdt men nu ouder den bodem in het onderste ge-
deelte van het lampenglas een licht, eu ziet men daarnaar door den glazen
wand, het oog beneden deu bodem des baks houdende, zoo bemerkt men het
licht als het ware boven het water. Opmerkelijk is ook deze proef, omdat er
de scliijnbare ophefBng vaii den J^odem des baks zoo duidelijk door zigt-
baar wurdt.
Een zeer verrassend voorbeeld van totale reflectie levert de volgende proef op.
Men dompele in een glas met water (zie fig. 180) eeu leJig reageerbuisje
dat is eene tamelijk wijde buis, die aan het
eene einde is toegesmolten, en geve de buis
eene schuine stelling, omtrent zooals de fi-
guur dit voorstelt. Wanneer men nu juist
boven het glas in o het oog houdt, zoo zal
het volmaakt eveneens zijn of de buis met
kwikzilver gevuld is. Giet men een weinig
water in de buis, dan zal de glans van het
kwik tot zoover verdwijnen, als het water
er in staat. Dit fraaije verschijnsel kan men gemakkelijk verklaren: de licht-
stralen, die van a afkomen eu het glas in e bereiken, worden gebroken naar r,
maar vallen daar te schuin op de grensvlakte, dan dat zij in de lucht kunnen
treden, die in de buis A begrepen is; zij worden derhalve aan de oppervlakte
totaal teruggekaatst. Zoodra men water iu de buis giet, houdt dus natuurlijk
de terugkaatsing op.
Nog eene allermerkwaardigste proeve betrekkelijk de totale reflectie bestaat
hierin. Eene cilindervormige kuip van hout of ijzerblik, van omstreeks 15 palm
hoogte en eene wijdte van 3 j)a{m of naar verkiezing, heeft uabij den bodem in
den zijwaud twee ronde openingen, eene groote en eene van ongeveer 1,5 a 2
duim wijdte, wier middelpunten juist tegenover elkander liggen. De groote wordt