Boekgegevens
Titel: Eerste grondbeginselen der natuurkunde: strekkende tot leesboek voor alle standen hoofdzakelijk tot zelfonderrigt voor jonge lieden, en tot handleiding voor onderwijzers
Auteur: Burg, P. van der
Uitgave: Gouda: G.B. van Goor, 1854
3de, geheel omgewerkte dr.; Oorspr. dr. : 1846
Opmerking: Bevat ook: 'Fondslijst. van den uitgever G.B. van Goor ...' (36 p.)
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 738 F 19
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203607
Onderwerp: Natuurkunde: klassieke fysica: algemeen
Trefwoord: Natuurkunde, Gidsen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Eerste grondbeginselen der natuurkunde: strekkende tot leesboek voor alle standen hoofdzakelijk tot zelfonderrigt voor jonge lieden, en tot handleiding voor onderwijzers
Vorige scan Volgende scanScanned page
«elfde bij opmerken als bij den eersten. Beschrijft men uit i een' cirkel, <lat
is, neemt men il tT en ik ik\ en laat men uit de punten /en T, Aren
k' loodlijnen lm, t m\ kn en k' n' op den normaal;>;)'vallen, dan worden deze
loodlijnen sinussen genoemd van de hoeken, tusschen welker beenen zij liggen^
en men ontdekt nu, dat de sinussen lm en /'m', behoorende bij den eersten
lichtstraal, dezelfde verhouding tot elkandei hebben als kn eu k' n', die tot den
tweeden straal behooren Deze verhouding is nu altijd bij dezelf le stof dezelfde,
welke ook de rigting der invallende stralen moge zijn. In het genoemde geval,
waar de lichtstraal uit lucht in water overgaat, is de verhouding 4 • 3, dat
wil zeggen, indien men de loodlijnen lm of kn in 4 deelen verdeelt,
zoo zullen C m' cn k n 3 van die deelen lang zijn.
Zeer gemakkelijk kan men derhalve de rigting aantoonen, di^ een gebroken
straal zal aannemen, indien de middelstoffen lucht en water zijn. Zoo bij
voorbeeld ik (zie fig. 178) den invallenden straal voorstelt, zou men uit i een'
Fiq. 178, cirkel beschrijven, vervolgens uitliet
punt ky waar deze den invallenden
straal snijdt, eene loodlijn kn laten
vallen op de lijn pp, deze loodlijn tot
aan den omtrek van den cirkel ver-
lengen, /rn iu 4 Gelijke deelen verdee-
len, op het verlengde no gelijk aan 3
van die deelen maken, dan o k* even-
wijdig trekken met p p' en eindelijk het
punt k' met i vereenigen ; dan zou de
lijn ik' de gebrokenestraal zijn. Want
in dat geval is k' m gelijk o n, gelijk
aan J van n k. Het is vrij duidelijk
dat, wanneer omgekeerd de lichlstraal uit het water in de iHcht treedt, de
straal zich van de loodlijn zal verwijderen. Dit geval is voorgesteld ouder fig. 179
Fig. 179. cb is hier de invallende bd de gebrokene straal.
in het algemeen zal een lichlstraal, die uil eene
minder digte zelfstandigheid in eene meer digte komt,
naar de loodlijn toe worden gebogen, en, indien hij
uit eene digtere in eene dunnere stof overgaat, zieh
van de loodlijn verwijderen. Dit is echter geen door-
gaande regel: er bestaan enkele stoffen, die te de-
zen aanzien eene uitzondering doen kennen, waar-
over aanstonds nader. Het getal, dat aanwijst,
hoe dikwijls de beide .siim.ssen km en kn (zie fig. 178) in elkander begrepen
zijn, noemt men het straalbrekingsgelal der stof; zoo is dan «lal gelal voor wa-
ter met betrekking tot de lucht * of 1,33; voor lucht met betrekking tot wa-
ter 4 of 0,75.
lo-