Boekgegevens
Titel: Eerste grondbeginselen der natuurkunde: strekkende tot leesboek voor alle standen hoofdzakelijk tot zelfonderrigt voor jonge lieden, en tot handleiding voor onderwijzers
Auteur: Burg, P. van der
Uitgave: Gouda: G.B. van Goor, 1854
3de, geheel omgewerkte dr.; Oorspr. dr. : 1846
Opmerking: Bevat ook: 'Fondslijst. van den uitgever G.B. van Goor ...' (36 p.)
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 738 F 19
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203607
Onderwerp: Natuurkunde: klassieke fysica: algemeen
Trefwoord: Natuurkunde, Gidsen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Eerste grondbeginselen der natuurkunde: strekkende tot leesboek voor alle standen hoofdzakelijk tot zelfonderrigt voor jonge lieden, en tot handleiding voor onderwijzers
Vorige scan Volgende scanScanned page
332
de tweede niiddelstof verkrijgt, dan
noemt meu c i den invallenden, c i den
gebrokenenen lichtstraal, cil denhoek
van invalling en l' ic den brekingshoek;
de loodlijn/t wordt ook wel normaal
genoemd.
De volgende waarheden verdienen
thans onze aandacht :
1® De invallingshoek 1 ic ligt met den
brekingshoek 1' i c' in hetzelfde vlak.
Er zijn evenwel stoffen, die den in-
vallenden lichtstraal iu twee gehrokene stralen splitsen, waarvan er een niet
met den gezegden invallings hoek in hetzelfde vlak ligt; tot deze stoffen behooren
kalkspath, gekristalliseerde koolzure kalk of ijslandsch kristal eu anderen.
\^'lj zullen hiervan later het een en ander vermelden,
2® JVanneer de lichtstraal I i loodregt op hel vlak a b valt, dat de middelstoffen
van elkander scheidt, zoo wordt de straal niet gebroken, maar vervolgt in de
middelstof in de rigting der loodlijn i C zijn' weg.
3® Indien de straal schuin op het grensvlak der middelstoffen valt, zoo bestaal er
^voor dezelfde middelstoffen eene standvastige verhouding tusschen de lengte der
loodlijneny die m den hoek van invalling en dien van breking op den normaal 1 1'
worden nedergelaten, uil punten der lichtstralen i c en i c', die op gelijken afstand
van het invallingspunt i zijn gelegen.
Het middel, dat de frausche natuurkundige Dcscartes of Cartesius tot be-
vestiging dezer laatste waarheid bezigde, eu waartoe hij door onzen landgenoot
Wülebrordus Snellius was op het spoor geleid, dien wij ook als deu ontdekker
der bovenstaande wetten mogen beschouwen, bestoud in een kogelvormig vat
vau glas A B (zie fig. 177), tot aan het middelpunt i des bols met water gevuld.
Doel men nu een liclitstraal of een' gau-
scheii bundel stralen li door eene spleet
bij l schuins op de wateroppervlakte val-
len en wel iu het middelpunt i, zoo maakt
deze straal met de loodlijn eeu' hoek
lip, en ziet men nu, in welk punt t de
lichtstraal den glazen wand^ p'i/treft,zoo
blijkt het, dat de gehrokene straal i £ met
de loodlijn ip eeu' kleineren hoek ü ip'
maakt dau de iuvallingshoek lip en dat
dus de gehrokene straal i l' de loodlijn ip'
in het water is genaderd. Laat men ver-
volgens den straal meer schuin invallen, in de rigting k i, zoo kan men dezen
ook na z^neu doorgang door het water iu k' waarnemen en men zal er het-