Boekgegevens
Titel: Eerste grondbeginselen der natuurkunde: strekkende tot leesboek voor alle standen hoofdzakelijk tot zelfonderrigt voor jonge lieden, en tot handleiding voor onderwijzers
Auteur: Burg, P. van der
Uitgave: Gouda: G.B. van Goor, 1854
3de, geheel omgewerkte dr.; Oorspr. dr. : 1846
Opmerking: Bevat ook: 'Fondslijst. van den uitgever G.B. van Goor ...' (36 p.)
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 738 F 19
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203607
Onderwerp: Natuurkunde: klassieke fysica: algemeen
Trefwoord: Natuurkunde, Gidsen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Eerste grondbeginselen der natuurkunde: strekkende tot leesboek voor alle standen hoofdzakelijk tot zelfonderrigt voor jonge lieden, en tot handleiding voor onderwijzers
Vorige scan Volgende scanScanned page
3-i9
kunnen worden opgevangen als de beeJden, welke door platte spiegels achter
het spiegelvlak ontstaan, zulke heelden noemt men derhalve meeihmstige ot
negatieve beelden.
Eindelijk bhjft mij nog over met weinige woorden te spreken over de terug-
kaatsing der lichtstralen door middel vau bolle bolvormige spiegels.
Zij Vfr (zie fig. 173) een bolle spiegel en m het middelpunt van den bol,
Fig. 17 r
waarvan hij voorondersteld wordt te zijn afgesneden, e g, eU, ei, enz. stellen
eenige evenwijdig opvallende stralen voor. Deze worden teruggekaatst onder
dezelfde hoeken k g n, enz. als die van invalling c ^ n, enz eu wel volgens de lij-
nen g k, h l, de, io enz , en omdat die allen schijnen uit te gaan van het
punt f, achter den spiegel gelegen, zoo kan men dit punt /"het denkbeeblige
brandpunt van den spiegel noemen. Dit is weder iu overeenstemming met de
verklaring, die men bij fig. 163 vindt, ook hier kan men m n als de loodlijn
of iiurmaal op het vlak van den spiegel beschouwen.
Laat nu AB (zie fig. 174) een voorwerp zijn, liggende vóór den spiegel,
F!g. 174.
zij m weder het mid-
delpunt van krom-
ming, en ƒ het nega-
tieve brandpunt. Om
de ligging van het
beeld A te bepalen,
bedenke men, dat de
lichtstraal, die in de
rigting A m den spie-
gel in n treft, in zich
zeiven terugkeert, en
dat de straal A e,
welke evenwijdig aan
de middellijn md invalt, vau het denkbeeldige brandpunt ƒ schijnt nit te
gaan, en dus iu de rigting e g teruggekaatst wordt. Beide stralen eg en A n
kunnen elkander nimmer werkelijk ontm,aeten, want zij divorgerea na bjinne