Boekgegevens
Titel: Eerste grondbeginselen der natuurkunde: strekkende tot leesboek voor alle standen hoofdzakelijk tot zelfonderrigt voor jonge lieden, en tot handleiding voor onderwijzers
Auteur: Burg, P. van der
Uitgave: Gouda: G.B. van Goor, 1854
3de, geheel omgewerkte dr.; Oorspr. dr. : 1846
Opmerking: Bevat ook: 'Fondslijst. van den uitgever G.B. van Goor ...' (36 p.)
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 738 F 19
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203607
Onderwerp: Natuurkunde: klassieke fysica: algemeen
Trefwoord: Natuurkunde, Gidsen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Eerste grondbeginselen der natuurkunde: strekkende tot leesboek voor alle standen hoofdzakelijk tot zelfonderrigt voor jonge lieden, en tot handleiding voor onderwijzers
Vorige scan Volgende scanScanned page
cioztlfcic Woorden op hlz.64 en 313 vermeld vinden: wanneer een lirhlstraal np
eene oppervlakte valt, wordt hij onder denzelfden hoek teruggekaatst, waatrtndcr hij
op het vlak valt. Men k.ni ten aanzien der golven op wiskundige gronden be-
wijzen, dat eene bolvormige golf door eenen vasten wand juist zoo wordt te-
ruggekaatst, alsof die golf v.in eed punt kwam, dat even zoo ver achter den
wand ligt als hetpunt, van waar die golf uitging, ervoor. Dit is dus ook geheel
toepasselijk op de ethergolven. WiJ zullen deze waarheid zoo aanstonds nader
toelichten.
Verbeeldt u, dat <2 6 (zie fig. 159) de doorsnede van het oppervlak eens spic-
Fig. 159.
gels ZIJ, i d een licht-
straal, die op dat vlak
valt, en l d eene lijn,
die in het punt d looil-
regt op het vlak van
den spiegel staat ; on-
der die voorwaarden
zal de lijn t d, die met
de loodlijn / d eenen
hoek l d t maakt, ge-
lijk aan den hoek»
de rigting zijn, waarin
de straal t d tcruggek.iat.st wordt- Hevindt er zich dus in t een oog, dat den
tcruggekaatsten lichtstraal opvangt, dan zal het eveneens zijn, of de lichtstraal
zich in de rigting d t heeft voortgeplant; en daar wij {jewoon zijn aan te nemcj),
dat de voorwcrj»en in die rigting gelegen zijn, waarin de daarvan afkomende
lichtstralen of liever de ethergolven zich voortbewegen, zoo zullen wij de ligging
der lichtbron, indien d;iartoc and«'rs geene bij/.ondere redenen bestaan, niet in
de rigting iff, maar wel in de hjn td vooronderstellen. Er valt nog meer bij
op te merken. Men kau altijd door twee lijnen, die elkander in een punt snij-
den, zooals hier het geval is met den invallenden lichtstraal i d en de loodlijn
l d, een vlak lattni gaan ; want men kan dit vlak door i d brengen en het zoo-
lang om id als as laten wentelen, tol er zich ook delijn l d in bevindt; is dit
nu zoo geschied, heeft men een vlak door deze beide lijnen gebragt, dan zal
men allijd l>evinden, dat ook dc teruggekaatste lichtstraal t d in dat vlak gele-
gen is ; dc geheele wet aangaande de terugkaatsing van het licht luidt derhalve
aldus : de lichtstraal, die onder zekeren hoek een plat vlak tuft, wordt onder den-
zeffden hoek teruggekaatst, cn de loodlijn, die uit hetpunt vam invalllng op het vlak
wordt o]^gerigt, Ugt met den invallenden en teruggekaatsten stnud in hetzelfde vlak.
Niet al het licht intusschen, dat van een ligchaam afstraalt en een' spiegel
treft, wordt iloor dezen in de genoemde rigting teruggekaatst, maar er wordt
een gedeelte van in alle rigtingen verspreid. Dit onregelmatig verspreide of
diffuse licht ontstaat door oneffenheden op den spiegel. Dit is ook de reden,