Boekgegevens
Titel: Eerste grondbeginselen der natuurkunde: strekkende tot leesboek voor alle standen hoofdzakelijk tot zelfonderrigt voor jonge lieden, en tot handleiding voor onderwijzers
Auteur: Burg, P. van der
Uitgave: Gouda: G.B. van Goor, 1854
3de, geheel omgewerkte dr.; Oorspr. dr. : 1846
Opmerking: Bevat ook: 'Fondslijst. van den uitgever G.B. van Goor ...' (36 p.)
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 738 F 19
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203607
Onderwerp: Natuurkunde: klassieke fysica: algemeen
Trefwoord: Natuurkunde, Gidsen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Eerste grondbeginselen der natuurkunde: strekkende tot leesboek voor alle standen hoofdzakelijk tot zelfonderrigt voor jonge lieden, en tot handleiding voor onderwijzers
Vorige scan Volgende scanScanned page

nu
Als eeil lijjcli.iaiii andere voorwerpen bedekt, die verder van ons oog zgn
gelegen, welk beshiit mag men ilan daaruit trekken?
De ijzereii loopen van schietgeweren of een der banden, die den loop in
de houten lade bevestigen, zijji doorgaans nabij het opene einde van den
loop van eene kleine, scherpe vrrhooging voorzien, waartoe dient deze?
bulien men bedenkt, dat de lichtstralen der zon door den grooten afstand,
dien dat hemellicht van onze aarde heeft, als aan elkander eveuwij<lig loo-
pende kunnen bsschonwd worden, en men weet tevens, dat tie wolken ge-
wooidijk in waterpasse lagen zich in den danijjkritjg vormen, kan men dan
niet aannemen, «lat de schadnw, die eene wolk o\er eene landstreek werpt,
ongeveer met hare wezenlijke grootte overeenkomt?
Iloe komt het, dat de schaduw van een ligchaam dikwijls zeer weinig met
het beehl van dit laatste overeenstemt?
Indien een klein voorwerp door een betrekkelijk groot lichtgevend ligchaam
verlicht wordt, zal de schaduw van het voorwerp spits toeloopen en veel
kleiner zijn dan het voorwerp zelf. In het omgekeerde geval zal de schaduw
wijd uiteenloopend cn grooter zijn dan het voorwerp. Helder dit eens door
eene teekening oji!
Waarom moet de schaduw der aarde en die der overige planeten altijd
spit>toeloopend zijn ?
NVaanini wordt de schaduw van een ligchaam grooter, naarmate dit het
lichtgevend ligchaam meer nadert ?
Waarom ontdekt men des daags geene sterren aan den hemel en waarom
schijnen de bliksemstralen in den nacht meer schitterend dan des daags.
Hoe kan de kracht, waarmede de zonde planeten verlicht, bepaald worden?
ACHT EN VEERTIGSTE LES.
De terugkaatsing van het licht door platte oppervlakten.
Het is een bekend verschijnsel, dat men door zeer gladde oppervlakken, zoo-
als door glas, gepolijst houtwerk of metaal, gepolijste steenen, eeii ellen wa-
tervlak, enz., heelden ziet ontstaan van voorwerpen, die zich vóór die op-
jHuvlakten hevinden Dat uien gewoon is zulke gepolijste ligchamen spiegels
te noemen, weet iedereen, en dat de verschijnselen, die zich bij dcze ojKloen,
alleen ontstaan door terugkaatsing van het licht, dat van de verlichte of licht-
gevende voorwerpen op de gladde oppervlakten valt, is eene waarheid, die ge-
makkelijk uit het voorgaande is af te leiden. Wij hebben het ons heden tot
taak gesteld, dc terugkaatsing van het licht in hare voornaamste bijzonderheden
gade te slaan.
In de eerste plaats treffen wij hier weder de wet aan, die wij bijna onder