Boekgegevens
Titel: Eerste grondbeginselen der natuurkunde: strekkende tot leesboek voor alle standen hoofdzakelijk tot zelfonderrigt voor jonge lieden, en tot handleiding voor onderwijzers
Auteur: Burg, P. van der
Uitgave: Gouda: G.B. van Goor, 1854
3de, geheel omgewerkte dr.; Oorspr. dr. : 1846
Opmerking: Bevat ook: 'Fondslijst. van den uitgever G.B. van Goor ...' (36 p.)
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 738 F 19
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203607
Onderwerp: Natuurkunde: klassieke fysica: algemeen
Trefwoord: Natuurkunde, Gidsen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Eerste grondbeginselen der natuurkunde: strekkende tot leesboek voor alle standen hoofdzakelijk tot zelfonderrigt voor jonge lieden, en tot handleiding voor onderwijzers
Vorige scan Volgende scanScanned page
35
naamd; hij wordt meestal in Saksen gevonden en is bijna ondoorschijnend.
Legt men dezen in water, zoo wordt hij helder doorschijnend als glas, en een
zesde deel van zijn gewigt zwaarder, door het opgeslorpte water. — Droog ge-
worden zijnde, verliest hij zijne doorschijnendheid weder.
Laat men eene wel geslotene en met zoet water gevulde flesch in zee zinken,
tot op eene diepte van tien, twaalf of meer el, zoo ontdekt men daarna, dat het
zoete water eenigzins zout is geworden; het zeewater drong door de poriën der
stop in de flesch.
De beenderen, het vleesch en alle andere deelen van het menschelijke en dier-
lijke ligchaam bevatten milhoenen zeer fijue poriën, die de heilzame sappen van
het voedsel, ieder naar hunne behoeften, ontvangen en door zich laten heengaan.
De openingen, die in de huid van den mensch aanwezig zijn en door welke de
uitwaseming geschiedt, worden op ruim twee millioen in aantal geschat.
Boomen en planten bestaan uit eene ontelbare menigte haarbuisjes, die de
voedzame bestanddeelen uit den grond tot zich nemen.
Alle planteiiblaadjes zijn boven en onder vol poriën; de eerste dienen ter uit-
waseming, de laatste ter inzuiging van sommige luchtdeelen; en de gedaante der
bladenis allergeschiktst, om eene groote oppervlakte aan den invloed der lucht
bloot te stellen; die gedaante werkt dus ook aan hunne instandhouding en groei
mede. —
De nadenkende mensch heeft van de poreusheid der ligchamen gebruik ge-
maakt, om verschillende vochten te zuiveren. Papier, zandsteen, het zand zelf,
heeft hem daartoe uitnemende diensten bewezen. Het vocht zakt of sijpelt door
de poriën dezer ligchamen, als door eene zeef, en laat alle vuile deelen op de op-
pervlakte van het papier, den steen of het zand achter. Hierop berust de ver-
vaardiging van de filtreer- of zuiveringstoestellen, die gij zeker hier en daar wel
zult hebben aangetroffen, en doorgaans dienen, om onzuiver water drinkbaar te
maken. Door dunne schijven van het minst poreuse hout perst men kwikzilver
om het van stof en andere onreinheden te zuiveren.
Naarmate de ligchamen veel of weinig, groote of kleine poriën hebben, naar
die mate noemt men ze ijl of digt. Indien men, bij voorbeeld, spons en lood met
elkander vergelijkt, zoo noemt men de spons ijl, los of poreus; het lood daarente-
gen digi. Goud en platina zijn de digtste ligchamen.
De ruimte, die een ligchaam, afhankelijk van zijne grenzen, inneemt, is dus
slechts schijtibaar; zij verschilt bij zeer poreuse ligchamen veel van de ware uitge-
breidheid des ligchaams; waut de poriën nemeu geene plaats in, zij zijn gelijksoor-
tig met de omgelegene ruimte. Drukt men een ligchaam zamen, dan begint de
scliijnhare uitgebreidheid de ware nabij te kmnen; doch hierover nader.
Vei'klaart nu nog de oorzaak der volgende verschijuselen —