Boekgegevens
Titel: Eerste grondbeginselen der natuurkunde: strekkende tot leesboek voor alle standen hoofdzakelijk tot zelfonderrigt voor jonge lieden, en tot handleiding voor onderwijzers
Auteur: Burg, P. van der
Uitgave: Gouda: G.B. van Goor, 1854
3de, geheel omgewerkte dr.; Oorspr. dr. : 1846
Opmerking: Bevat ook: 'Fondslijst. van den uitgever G.B. van Goor ...' (36 p.)
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 738 F 19
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203607
Onderwerp: Natuurkunde: klassieke fysica: algemeen
Trefwoord: Natuurkunde, Gidsen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Eerste grondbeginselen der natuurkunde: strekkende tot leesboek voor alle standen hoofdzakelijk tot zelfonderrigt voor jonge lieden, en tot handleiding voor onderwijzers
Vorige scan Volgende scanScanned page
schijnsel ook, indien men door eene kleine opening van de vensterblinden eener
kamer, die door eene naauwkeurige sluiting verder van alle daglicht is be-
roofd, een' zonnestraal inlaat; immers in dat geval wordt niet alleen de plek
op den wand of het voorwerp, waarop het licht valt, zigtbaar, maar de geheele
kamer ontvangt licht door de lichtstralen, die in alle rigtingen van het onmid-
dellijk verlichte ligchaam worden teruggekaatst. Ä!en noemt dit naar alle kau-
ten zich zelf uitbreidende licht, diffuus of verstrooid licht.
Alle donkere ligchamen verdeelt men in ondoorschijnende en doorschijnende.
Tot de eerste behooren hout, steen, de metalen, enz., hoewel wij uit hetgeen op
bl. 37 gezegd is mogen afleiden, dat meest alle ligchamen doorschijnend zouden
worden, indien men ze slechts dun genoeg maken kon.
Doorschijnende ligchamen beletten den doorgang van het licht niet; zoo als
glas, water, de verschillende gassoorten, enz. Onder deze zijn er, door welke
men de gedaante der voorwerpen duidelijk kan waarnemen, b. v., glas, water,
enz. Men zou dus dezulken doorziytige ligchamen kunnen noemen. AYorden
evenwel deze stoffen dik of in eene groote hoeveelheid zamengehoopt, dan be-
houden zij doorgaans deze eigenschap niet. Andere laten wel het licht door,
maar men kan er den vorm der ligchamen niet wel door waarnemen; mat ge-
slepen glas, hoornplaten, enz. behooren hiertoe. AVij zullen gelegenheid vinden,
om op deze eigenschap der ligchamen terug te komeu. Wat de oorzaak ervan
is, dat het eene ligchaam de lichtstralen doorlaat en het andere niet, is ons
onbekend. Dit is zeker, dat de ligging der atomen hierop eenen grooten invloed
moet uitoefenen.
ZEVEN EN VEERTIGSTE LES.
Over de \erspreidiiig, snelheid en sterkte \an hel li
Stelt eens, dat de vensterluiken eener kamer goed gesloten zyn, dat het er
volkomen donker is, en dat er verder in een der blinden eene kleine opening
is gemaakt, door een schuine gedekt. Ontsluit men nu die opening, en plaatst
zich iemand er juist tegenover, dan ziet hij er doorheen; zoodra men echter
de hand in eene regte lyn met het oog en de opening houdt, wordt men deze
laatste niet meer gewaar; de hand eenigzins uit de genoemde rigting zijwaarts
brengende, zoo wordt de opening weder zigtbaar. Wat leert men hieruit?—Dat
het licht zich volgens regte lijnen voortplant. Dit is eene allergewigtigste waar-
heid, waaruit de belangrykste verschijnselen van het licht verklaard worden.
Op haar berust de gewone handelwijze van de handwerkslieden tot het ver-
krijgen van regte lynen, en de inrigting van de meeste meetkunstige werktui-
gen. De timmerman en metselaar leggen het oog langs den kaut eener plank
of van eenen muur, of zien langs twee of meer merkpalen (bakens), om de