Boekgegevens
Titel: Eerste grondbeginselen der natuurkunde: strekkende tot leesboek voor alle standen hoofdzakelijk tot zelfonderrigt voor jonge lieden, en tot handleiding voor onderwijzers
Auteur: Burg, P. van der
Uitgave: Gouda: G.B. van Goor, 1854
3de, geheel omgewerkte dr.; Oorspr. dr. : 1846
Opmerking: Bevat ook: 'Fondslijst. van den uitgever G.B. van Goor ...' (36 p.)
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 738 F 19
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203607
Onderwerp: Natuurkunde: klassieke fysica: algemeen
Trefwoord: Natuurkunde, Gidsen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Eerste grondbeginselen der natuurkunde: strekkende tot leesboek voor alle standen hoofdzakelijk tot zelfonderrigt voor jonge lieden, en tot handleiding voor onderwijzers
Vorige scan Volgende scanScanned page
ZESDE AFDEELII\G.
ilET LICÏIT.
ZES EN VEERTIGSTE LES.
Over hel licht in het algemeen.
Wij willen in deze afdeeling de eigenschappen trachten na te vorschen van
eene der zotJgenaanideDen naam onweegbaar heeft men toe-
gek en« i aan het Uvht, de warmte, het mnguetismus en de electriciteit, omdat geen
van deze stoffen aan de wetten der zwaartekracht schijnt onderworpen te zijn.
Zij maken ge/.amenlijk de onderwerpen uil, waartoe de navorschingen en daar-
mede gepaard gaande proefnemingen der geleerden zich thaus hoofdzakelijk
uitstrekken. De kennis aangaande deze vier raadselachtige uitingen der natuur
maakt dus ook dag aan dag meer vorderingen, en van de voornaamste dezer
•iuilen wij melding maken ; wij beginnen met het licht.
Hellicht— de naam van dit onschatbare geschenk des liefdevollen en wijzen
Scheppers is naauwelijks uitgesproken, of ontelbaar vele genoegens staan ons voor
den geest, die wij daaraan te danken hebben. Het licht is het beeld van het
leveu en de duisternis dat van den dood. Hoe ondenkbaar veel draagt het toch
niet bij lot vermeerdering van ons genoegen en bevestiging van onzen welstand!
Welk eenen invloed heeft het niet op den groei en de ontwikkeling der bewerk-
tuigde schepping ! Vergelijkt de plant, die in het duister wast, b. v. den kleur-
loozeu paddestoel, met die, welke het zonnelicht geniet 1 Ziet de bleeke uit-
spruitsels van den aardappel, wanneer hij des winters in den donkeren kelder
Ugl gesloten. Ziet de bloem, welke binnen de kamer iu polten wordt opge-
kweekt : hoe buigt zy hare stengels naar die plaats over, van waar zij het licht
kun opvangen ! De zaadkorrel, honderden jaren lang diep onder de aarde l>e-
dolven geweest zijnde, ontkiemt en wast op, zoodra hij naar boven wordt ge-
voerd, en door het licht wordt bestraald, dat met de lucht op hem kan inwer-
ken. Leven, te midden van duisternis, is niet denkbaar, want waar zich leven
untwikkeli, daar ontwikkelt zich ook licht.
Wat is licht; waaruit neemt het zijnen oorsprong? Wij weten het niet; aan
gaande de eigentlijke natuur van het licht verkeert men geheel in het duister,
eu hoewel wij met vele merkwaardige eigenschappen ervan bekend zijn, zoo
luoeieu vrij bij de verklaring van deze toch altijd tot hypothesen of onbewezene
15