Boekgegevens
Titel: Eerste grondbeginselen der natuurkunde: strekkende tot leesboek voor alle standen hoofdzakelijk tot zelfonderrigt voor jonge lieden, en tot handleiding voor onderwijzers
Auteur: Burg, P. van der
Uitgave: Gouda: G.B. van Goor, 1854
3de, geheel omgewerkte dr.; Oorspr. dr. : 1846
Opmerking: Bevat ook: 'Fondslijst. van den uitgever G.B. van Goor ...' (36 p.)
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 738 F 19
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203607
Onderwerp: Natuurkunde: klassieke fysica: algemeen
Trefwoord: Natuurkunde, Gidsen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Eerste grondbeginselen der natuurkunde: strekkende tot leesboek voor alle standen hoofdzakelijk tot zelfonderrigt voor jonge lieden, en tot handleiding voor onderwijzers
Vorige scan Volgende scanScanned page
320
niet anders zijn ingerigt, hoedanig de ziel de indrukken van het gehoor ont-
vangt, dit alles is nog onbekend. Wij krijgen hier dus een bewijs te meer, dat
al ons weten en kennen stukwerk is. Mogt het u echter aansporen, om meer
en meer iu de geheimen der natuur te willen doordringen, en gij daar-
door krachtiger worden opgewekt tot de erkenning van de liefde des grooten
Scheppers.
De weg, dien de geluids-trillingen in het oor nemen, is, zooals gij hebt ge-
zien, zeer zamengesteld, en dit is dan ook dikwijls de reden, waarom wij som-
tijds ons vergissen in de plaats, van waar het geluid komt; vooral is dit het ge-
val, indien er geluiden aan onze linker- of regterzijde ontstaan en beide ooren
even sterk door deze worden aangedaan.
Die opmerking doet ons inzien, waardoor het mogehjk is, dat de buikspreker
zyne toehoorders in eene groote opgetogenheid brengt cn hunne verwondering
ten top kan voeren. De buikspreker brengt zijne woorden voort, zonder de lip-
pen te bewegen of den mond te openen; door een weinig oefening kan men alle
klanken op deze wijze voortbrengen, uitgezonderd de lipletters. Waanneer men
nu dezen kunstenmaker hoort, missen wij dus de gewone kenteekenen, waaraan
wij onderscheiden van welke zijde het geluid komt, of wie er tot ons spreekt.
Indien hij dan daarbij de kunstgreep gebruikt, om door doffe, als van verre
komende woorden, op de vragen te antwoorden, welke hij op de gewone wijze
doet; als hij het geschrei van een kind, het geroep uit eenen kelder, of van
een' hoogen schoorsteen, het zagen van hout, enz. nabootst, zoo is de mislei-
ding volkomen, en hij brengt zijne toeschouwers ongetwijfeld in verrukking.
Het gebeurde zelfs eenmaal, dat eenige lieden, die een lijk naar het graf geleid-
den, verschrikt uiteenliepen, en de doodkist lieten staan, toen een buikspreker,
die toevallig den trein ontmoette, de dragers in den waan bragt, dat de doode
uit de kist hun iets toeriep.
W^ij kunnen ook door dc beschouwing der gehoorwerktuigcn een bewijs te
meer erlangen, dat alle vaste stoffen het geluid geleiden. Stopt de ooren zoo
digt toe als maar mogelijk is en gij zult zelfs toch nog het tikken van een horo-
logie vernemen, indien gij het slechts tegen het hoofd drukt. Indien iemand
doof is, alleen ter oorzake van een gebrek aan het uitwendige deel van het oor,
zoo kan hij de toonen zeer goed waarnemen, indien hij zich met het toongevend
ligchaam in verband stelt door middel van eenen draad, welke van genoemd
ligchaam uitgaat en door hem tusschen de tanden wordt gekneld.