Boekgegevens
Titel: Eerste grondbeginselen der natuurkunde: strekkende tot leesboek voor alle standen hoofdzakelijk tot zelfonderrigt voor jonge lieden, en tot handleiding voor onderwijzers
Auteur: Burg, P. van der
Uitgave: Gouda: G.B. van Goor, 1854
3de, geheel omgewerkte dr.; Oorspr. dr. : 1846
Opmerking: Bevat ook: 'Fondslijst. van den uitgever G.B. van Goor ...' (36 p.)
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 738 F 19
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203607
Onderwerp: Natuurkunde: klassieke fysica: algemeen
Trefwoord: Natuurkunde, Gidsen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Eerste grondbeginselen der natuurkunde: strekkende tot leesboek voor alle standen hoofdzakelijk tot zelfonderrigt voor jonge lieden, en tot handleiding voor onderwijzers
Vorige scan Volgende scanScanned page
14
VIERDE LES.
De poreusheid der ligchamen.
Beziet eens eeue spons, eeii stuk puimsteen, een eikenhouten plankje, eene
kurk, een' turf, een gebakken steen! — in allen ontdekt gij kleine openingen of
holligheden. Kunt gij ze niet gemakkelijk bij alle voorwerpen, bijvoorbeeld bij
het hout en den steen, met het bloote oog waarnemen, gebruikt dan slechts
een vergrootglas en ze zullen u zeer zigtbaar worden. In een stuk glas of
eene metalen plaat kuntgij die holligheden, zelfs met het gewapende oog,
niet zien. Niettemin zijn zij er aanwezig; er zullen zich in de volgende lessen
daarvoor genoegzame bewijzen opdoen. Toont het doordringen der inktvlekken
in het papier, tot zelfs aan de keerzijde van het blad, waarap men ze laat vallen,
niet ontwijfelbaar, dat ook in die stof zulke gaatjes moeten bestaan? —
Maar niet alleen bij vaste ligchamen, ook bij drupvormige stoffen is dit het
geval. Indien men evenveel zwavelzuur neemt als water, b. v. van ieder 1 vin-
gerhoed, en dit ondereen giet, dan bedraagt het mengsel op verre na geene 2 vin-
gerhoeden meer. Een dergelijk verschijnsel neemt men waar bij de vermenging
van wijngeest of alkohol en water. Hoe kan dit anders ontstaan zijn dan daar-
door, dat de stoffen in de openingen zijn gedrongen, die zij wederzijds in zich
bevatten? —
Gelijk het met de vaste en drupvormig-vloeibare ligchamen gesteld is, zoo
ook met de lucht. — Proeven, die met twee verschillende luchtsoorten, in on-
derscheidene vaten begrepen, genomen zijn, hebben bewezen, dat die beide lucht-
soorten elkander als doordringen. —
Ziedaar weder eene nieuwe eigenschap der ligchamen. Bij nkt eene slof liggen
de atomen onmiddellijk aaneen, maar zijn door tussehenruimten van elkander geschei-
fien. Deze openingen of holligheden noemt men poriën. Daarom heet de eigenschap
der stof, dat zij allen zulke tussehenruimten bevat, ^eporeusheid der ligchamen.
Wij willende poreusheid of ijlheid nader onderzoeken. —
Ineen glas water werp ik een stukje krijt. Een aantal luchtbelletjes stijgen
daaruit in bet water op. — En wat is er nu in plaats gekomen? — Breekt het
krijt slechts door, en gij vindt het geheel met water doortrokken. Meent niet,
dat dit verschijnsel met de ondoordringbaarheid strijdt, en dat het water de
plaats van het krijt heeft ingenomen! Gij hebt immers de lucht zien ontsnap-
pen? Het water heeft dus de lucht verdrongen en hare plaats gevuld. Het
stukje krijt heeft bovendien eene grootere uitgebreidheid verkregen; de atomen
rijn verplaatst, niet eender krijtdeelen is vernietigd!
Werpt men vleesch, suiker of iets dergelijks in het water, er doen zich gelijk-
soortige verschijnselen op. Ook deze ligchamen hebben derhalve poriün.
Een sterk bewijs voor de poreusheid levert ons zekere soort van kiezelaardige,
blaauwachtig witte steen met donkerder aderen, hydrophaan of wereldoog ge