Boekgegevens
Titel: Eerste grondbeginselen der natuurkunde: strekkende tot leesboek voor alle standen hoofdzakelijk tot zelfonderrigt voor jonge lieden, en tot handleiding voor onderwijzers
Auteur: Burg, P. van der
Uitgave: Gouda: G.B. van Goor, 1854
3de, geheel omgewerkte dr.; Oorspr. dr. : 1846
Opmerking: Bevat ook: 'Fondslijst. van den uitgever G.B. van Goor ...' (36 p.)
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 738 F 19
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203607
Onderwerp: Natuurkunde: klassieke fysica: algemeen
Trefwoord: Natuurkunde, Gidsen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Eerste grondbeginselen der natuurkunde: strekkende tot leesboek voor alle standen hoofdzakelijk tot zelfonderrigt voor jonge lieden, en tot handleiding voor onderwijzers
Vorige scan Volgende scanScanned page
812
De andere proef bewijst, dat bet, om de Kichtkolom in eene buis te doen me-
deklinken, niet noodig is, een toongevend ligchaam aan hare opening te verbin-
den, gelijk bij de orgelpijpen, maar dat, wanneer voor hare opening de lucht-
golving heen strijkt, en door hare randen gebroken wordt, ook dan nog de lucht
inde buis tot toongeven of medeklinken kan gebragt worden.
De klok A (zie fig. 150/j) is op eenen voet geschroefd, en naast haar staat een
Fig. 1506 tweede voet, die eenen bordpapie-
ren of metalen koker B draagt,
bestaande uit twee stukken 1 en
2, die in en uit elkander kunnen
geschoven worden; deze tweede
voet rust op het in D verschuif-
bare stuk C, zoodat men den af-
stand der buis tot de klok eenig-
zins kan regelen. Strijkt men nu
met een' strijkstok langs den rand
der schel, zoo geeft zij geluid, en men kan nu de lengte der buis ß, door in of
uit elkander brengen der deelen 1 en 2, met den toon der klok in overeenstem-
ming brengen. Is dat geschied, zoo wordt de toon veel sterker en voller. Wan-
neer men de buis B, die op haren voet kan rondgedraaid worden, van voor de
klok wegdraait, en men laat de in de schel opgewekte toon eerst zoodanig verzwak-
ken, tot hij niet meer kan gehoord worden, zoo wordt hij op nieuw waarneem-
baar, wanneer de opening der buis weder over de schel wordt gebragt. Wanneer
men de buis op hare as voor de toongevende schel heen en weder draait, ver-
neemt men als 't ware het zwak geluid eener klok.
Thans willen wij nog aantoonen, hoe de opgewekte geluidstrillingen, wanneer
zij, gelijk is aangetoond, zich onveranderd doorde lucht hebben voortgeplant,
ook door andere ligchamen of gedeeltelijk of geheel onverzwakt kunnen worden
teruggeworpen.
Hebt gij niet dikwijls opgemerkt, dat in kerken, ronde koepels, lange gangen,
verwulfde kelders, enz., de stem eenen eigenaardigen nagalm verkrijgt, en dar
op sommige plaatsen elke laatste lettergreep van den volzin, dien gij uitspreekt,
wordt teruggekaatst? Welnu, dit verschijnsel onderden naam vanec/io bekend
willen wij verklaren.
Wanneer de golven van het water, door den wind of eene andere oorzaak
ontstaan, tegen eenen muur, wal of andere harde vlakte stuiten, houden zij
niet aanstonds op, maar worden teruggeworpen, eu bewegen zich dan in eene
tegenovergestelde rigting. Dit zagen wij ook bij de geluidsgolven. De algemeene
wet nu te dezen aanzien luidt: wanneer de geluidsgolven van de eene middenstof
in eene andere overgaan, heeft er altijd eene gedeeltelijke terugkaatsing plaats, en
wanneer zij een hardof vast ligchaam ontmoeten, worden zij geheel teruggeworpen.
Komen de geluidsgolven uit eene dunnere in eene dikkere stof, of stuiten zij