Boekgegevens
Titel: Eerste grondbeginselen der natuurkunde: strekkende tot leesboek voor alle standen hoofdzakelijk tot zelfonderrigt voor jonge lieden, en tot handleiding voor onderwijzers
Auteur: Burg, P. van der
Uitgave: Gouda: G.B. van Goor, 1854
3de, geheel omgewerkte dr.; Oorspr. dr. : 1846
Opmerking: Bevat ook: 'Fondslijst. van den uitgever G.B. van Goor ...' (36 p.)
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 738 F 19
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203607
Onderwerp: Natuurkunde: klassieke fysica: algemeen
Trefwoord: Natuurkunde, Gidsen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Eerste grondbeginselen der natuurkunde: strekkende tot leesboek voor alle standen hoofdzakelijk tot zelfonderrigt voor jonge lieden, en tot handleiding voor onderwijzers
Vorige scan Volgende scanScanned page
307

een geluidsknoop ontstaat, die iu de gedekte of geslotene pijp niet aanwezig is ;
de luchtkolom in de eerste trilt derhalve iu twee afdeelingen, en is dus de helft
korter dan inde geslotene, zoodat de opene pijp eenen toon, die een octaaf hoo-
ger is, moet te weeg brengen. Eene gedeeltelijke bedekking van het opene einde
der buis doet in haar grondtoonen ontstaan, die in hoogte tusschen de beide
octaven in liggen. Dit verklaart waarom zij, die den waldhoren bespelen, de
hoogte der toonen weten te veranderen door de hand meerder of minder diep
in het wijde einde te duwen. Nog ziet men daaruit het nut der looden plaat
a boven op de houten orgelpijpen (zie fig. 145«)» hierdoor de hoogte
Fig. 149a. van den toon kan wijzigen. Zulke platen bezitten ook vele me-
talen orgel pij pen.
Om u een denkbeeld te geven van de wijze, waarop men door
orgelpijpen toonen kan voortbrengen, dienen dc figuren, die
llllim hiernevens voorgesteld zijn (zie fig. 149^»). Bij I is de voorzijde
en de overlangsche doorsnede eener vierkante houten pijp, bij
11 eveneens die vau eene cilindervormige metalen pijp afge-
beeld. Deze pijpen rusten met het beneden einde a op eene hou-
niH II 1! Hllii windkast, waarin de lucht door blaasbalgen wordt zamen-
II II H gedrongen. Iedere pijp heeft binnen in die kast haar eigen vak,
waardoor zij van de andere is afgesloten. lïet openen eener klep
doet de wind door de buis stroomen. Verder heeft elke pijp
eene vierkante mondopening m, die gevormd wordt door de
beide binnenwaarts gekeerde lippen 6 eu c. Treedt nu de lucht
door den voet a, dan sloot zij tegen hel dwarsstuk k cn wordt
Ftg. 1496.
IT

naar builen geleid door
de naauwe sleuf i; hier
stoot zij tegen den
scherpen kant van
de bovenlip b en zet
daardoor de luchtko-
lom in d in toonge-
vende slingering. Som-
tijds wordt de toon in
de orgelpij[>en op eene
andere wijze vcrkre,
gen, en wel bij het zoo-
genaamde tongwerk.
Eene tong is hier eene
trillende, zeer veer-
krachtige, dunne me-
talen plaatƒƒ (zie fig. 149c), welke door een' luchtstroom in beweging wordt ge-
zet. De opening namelijk bij o wordt afwisselend geopend en gesloten door dep