Boekgegevens
Titel: Eerste grondbeginselen der natuurkunde: strekkende tot leesboek voor alle standen hoofdzakelijk tot zelfonderrigt voor jonge lieden, en tot handleiding voor onderwijzers
Auteur: Burg, P. van der
Uitgave: Gouda: G.B. van Goor, 1854
3de, geheel omgewerkte dr.; Oorspr. dr. : 1846
Opmerking: Bevat ook: 'Fondslijst. van den uitgever G.B. van Goor ...' (36 p.)
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 738 F 19
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203607
Onderwerp: Natuurkunde: klassieke fysica: algemeen
Trefwoord: Natuurkunde, Gidsen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Eerste grondbeginselen der natuurkunde: strekkende tot leesboek voor alle standen hoofdzakelijk tot zelfonderrigt voor jonge lieden, en tot handleiding voor onderwijzers
Vorige scan Volgende scanScanned page
299
gedeelte der snaar worden voortgebragt, want de getallen trillingen der c en b
staan tot elkander als 1 tot IJ, derhalve die van de© tot de een octaaf hoogeve
e als 1 : IJ X 2 of I : 3, enz. De snaar is niet van spanning veranderd; by
gevolg moet dan ook de helft, het derde, vijfde deel, enz ieder op zich zelf ge-
trild hebben. Dit is werkelijk zoo. Ziehier hoe de natuurkundige Sanveur dit
verschijnsel verklaart. Men plaatst den kam c (fig. I4I) onder het midden der
snaar en strijkt met den strijkstok eene der helften ic (zie fig. 142), maar vooral
Fip. 142. zoover mogelijk van het punt
........................c verwijderd,aan. Deze helft
c trilt nu werkelijk, doch zij
niet alleen, ook de andere helft
rt eis iu beweging; wil men er zich van verzekeren, zoo bange men slechts eenV-vor-
mig gevouwen strookje papier op het deel ac, en het wordt er afgeworpen. De snaar
neemt dus herhaaldelijk eene dubbele kromming aan ; terwijl het deel b c naar be-
neden gaat, gaat a c naar boven, en niets belet, dat bij zulk eene beweging ook de
snaar over hare geheele lengte trilt: zij zal alsdan eenen toon en zijn naast hooger
octaaf doen hooren. Men behoeft niet eens den kam er onder te plaatsen ; eenu
ligte drukking van den vinger op het midden der snaar doet ook hare helften
trillen. Fig. 142a stelt voor hoedanig die trillingen kunnen geschieden. Terwijl



I het punt c tusschen <1 en 6 heen en weder slingert, kan gelijktijdig iedere helft A a
ig en B a slingeren, alsof het midden bevestigd ware.
' Drukt men even met den vinger op het einde van het eerste derde deel c (zie
II fig. 143) der snaar, en strijkt men het derde deel a c aan, dan trillen op denz( If-
j den oogenblik ook de
Fiy. Ii3. overige twee derde
deelen ; maar elk hun-
ner slingert om het
punt d, zooals in d«
figuur is aangetoond.
Om zich hiervan te verzekeren, hangt men weder toegevouwen strookjes papier
of zoogenaamde ruitertjes in de punten c, d eu i. Die, welke zich in e en i bevin-
den, sj) ringen er af en dat in d bhjft hangen. De punten d en c noemt men slimjer-
hioopen of rustpunten. De proeve gelukt eveneens, wanneer men het vierde, vijfde
of zesde deel der snaar even drukt; er zullen dan.2, 3 of 4 rustpunten ontstaan,
waarop de papieren ruitertjes rustig zullen blijven hangen Het is door de zachte