Boekgegevens
Titel: Eerste grondbeginselen der natuurkunde: strekkende tot leesboek voor alle standen hoofdzakelijk tot zelfonderrigt voor jonge lieden, en tot handleiding voor onderwijzers
Auteur: Burg, P. van der
Uitgave: Gouda: G.B. van Goor, 1854
3de, geheel omgewerkte dr.; Oorspr. dr. : 1846
Opmerking: Bevat ook: 'Fondslijst. van den uitgever G.B. van Goor ...' (36 p.)
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 738 F 19
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203607
Onderwerp: Natuurkunde: klassieke fysica: algemeen
Trefwoord: Natuurkunde, Gidsen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Eerste grondbeginselen der natuurkunde: strekkende tot leesboek voor alle standen hoofdzakelijk tot zelfonderrigt voor jonge lieden, en tot handleiding voor onderwijzers
Vorige scan Volgende scanScanned page
de sirene en het rad van Savart op eene verrassende wijze bevestigd. Ilct zal
nu naauwehjks meer verklaring behoeven, waarom men bij het werktuigje fig.
I4O&, tanden en gaten tot de daarbij aangewezene getallen heeft gebragt Do
buis of het kaartenblad onder het draaijen langs de 4 rijen gaten of langs den
kant der schijven bewegende, kan men alzoo harmoniërende toonen verkrijgen.
Wij hebben tot dus verre alleen den toon zien veranderen door het trillend ge-
deelte der snaar te verkorten of te verlengen; doch dit kan ook op eene andere
wijze geschieden, want eene andere wet luidt:
2°. het getal trillingen of slingeringen eener snaar verandert met hare spanning,
en wel, onder overigens gelijke omstandigheden, in reden van den vierkantswortel
der spannende gewigten. Jlangt men dus eerst in d (fig. I4I) 1 pond en vervolgens
4, zoo zullen de trillingen der snaar tot elkander staan als 1 tol 2, en de too-
nen, die men daardoor verkrijgt, een octaaf verschillen. Hangt men bij den eenen
sonomeler 4 pond in d en bij den anderen 9 pond, dan staan de getallen trillin-
gen der beide snaren tot elkander als de getallen 2 en 3, en men zal derhalve de
O en g verkrijgen. De ^/rèncen het rad bevestigen weder de waarheid van dit een
en ander. Indien gij in aanmerking neemt, dat de spannende gewigten bij har-
pen, guitarren, violen, enz. vervangen worden door schi'oeven, die zich aan het
eind der snaren bevinden, zoo ziet men, waarom de vioolspeler nn en dan deze
schroeven aandraait.
Op de viool, ziet men 4s"aren. De e snaar is de dunste van allen; hierop
volgt in dikte de vervolgens de d. en eindelijk de dikste van allen, de s. snaar,
die bovendien met zilverdraad is omwoeld. Harp- en forte-piano-snaren verschil-
len eveneens zeer in dikte. De dikte der snaren heeft derhalve ongetwijfeld invloed
op den toon; wij hebben te dezen aanzien :
3®. de getallen trillingen, voortgebragt in denzelfden tijd, door eenige snaren van
gelijke lengte, met gelijke gewigten gespannen en uit dezelfde stof vervaardigd, ver-
houden zich tot elkander in omgekeerde reden van de dikte der snaren. Neemt men
derhalve twee metalen snaren van gelijke lengte, wier middellijnen zich tot elkan-
der verhouden als 1 tot 2, zoo zal de eerste bij gelijke spanning in denzelfden tijd
2maal zoo veel trillingen maken als de tweede. Dunne, ligte snaren geven dus
hoogere toonen dan dikke of zware.
Een zeer opmerkelijk verschijnsel, doet zich op bij het trillen eener enkele
snaar. Indien men namelijk met den strijkstok ééne snaar eener viool of violoncel
(kleine basviool) in beweging zet, hoort men niet alleen den grondtoon dezer
snaar of dien, welken zij voortbrengt, indien zij over hare geheele lengte trilt,
maar men verneemt ook de harmoniërende toonen van den grondtoon. Het dui-
delijkst is dit hoorbaar bij eene snaar eener violoncel, indien men deze digt bij den
kam aanstrijkt. Is namelijk de grondtoon «, men hoort dan ook de welke een
octaaf hooger ligt, de die daarop onmiddellijk naar boven volgt, de e, dia
men, naar boven gerekend, weder het eerst na deze a aantreft, enz. Dit zijn
juist harmoniërende toonen, en wel zulke, die door de helft, het derde cn Mjfdo