Boekgegevens
Titel: Eerste grondbeginselen der natuurkunde: strekkende tot leesboek voor alle standen hoofdzakelijk tot zelfonderrigt voor jonge lieden, en tot handleiding voor onderwijzers
Auteur: Burg, P. van der
Uitgave: Gouda: G.B. van Goor, 1854
3de, geheel omgewerkte dr.; Oorspr. dr. : 1846
Opmerking: Bevat ook: 'Fondslijst. van den uitgever G.B. van Goor ...' (36 p.)
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 738 F 19
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203607
Onderwerp: Natuurkunde: klassieke fysica: algemeen
Trefwoord: Natuurkunde, Gidsen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Eerste grondbeginselen der natuurkunde: strekkende tot leesboek voor alle standen hoofdzakelijk tot zelfonderrigt voor jonge lieden, en tot handleiding voor onderwijzers
Vorige scan Volgende scanScanned page
290
Waarom is het den kruidraijngravers hoogst moeijeUjk, hunnen arbeid voor
den vijand bedekt te houden?
TWEE EN VEERTIGSTE LES.
De snelheid der slingeringen in het algemeen, Toonen.
De sirene. Hel getande rad. Opwekking van
geluid door snaren.
IMaatst twee stoelen op omtrent 5 el afstands van elkander; maakt het eind
van een dun bindtouw aan de leuning van een' dezer vast, en werpt het andere
eind, waaraan een pond gewigt is gebonden, over de leuning van den anderen
stoel; vat vervolgens het touw in het midden aan, trekt het opwaarts en laat
het plotseling los. Er ontstaan nu staande slingeringen ; zij zijn zoo langzaam,
dat men ze gemakkelijk tellen kan. Men verneemt intusschen, en hierop maak
ik u vooral opmerkzaam, geen' toon. Schuift de stoelen nu digter bijeen, kort den
draad tot op de heUt in, en men bemerkt dat de slingeringen, die men dezen doet
maken, veel sneller worden. Nog verneemt men echter geen geluid. Men brengt
de koord tot een derde, vierde, vijfde deel barer eerste lengte; de snelheid der
"^'ngeringen neemt toe, maar er ontstaan nog geene toonen. Eerst na men de
stoelen zeer nabij elkander heeft gebragt, en de slingeringen van het touw
veel te ras elkander opvolgen, dan ilat men ze zou kunnen tellen, hoort men een
geluid. Gebruikt men eene zeer lange staaf a 6 (zie fig. 140\ welke aan het einde
a tusschen de bladen eener bankschroef is vastgeklemd, zoo
doet zich hetzelfde verschijnsel op. Gij begrijpt dat ook deze,
. uit den stand a b in dien van a c gebragt zijnde, zich zoodra
men haar los laat even als een slinger zal bewegen. Zij gaat
namelijk uit de rigting a c door het punt b heen, verkrijgt
den stand a d, eu keert dan weder terug. Ook zij maakt
staande slingeringen. Älen zal ook hier slechts toonen ver-
krijgen, indien het trillend gedeelte der staaf aanmerkelijk
veel korter is gemaakt, en dien ten gevolge de trillingen,
welke evenwel bij zulk eene staaf naar evenredigheid veel ster-
/jm ^fei ^^^ ^^^^^ toenemen dan bij eene gespannen snaar, zeer snel
yW I'« op elkander volgen,
XJit deze eenvoudige proeven blijkt dus, dal de slingermgen eene zekere snel-
heid moeien bezitten, zullen zij toonen voortbrengen. Hoe snel zij elkander moeten
opvolgen, kan niet juist bepaald worden ; men is het daarover niet eens, en dit
is ook natuurlijk, want de eene mensch heeft een gevoeliger gehoor dan de andere;
sommige bezitten eene groote vatbaarheid om hooge, andere om lage toonen
waar te nemen. Door de proefnemingen van Savart is aangetoond, dat men nog

Fig. 140.
I r