Boekgegevens
Titel: Eerste grondbeginselen der natuurkunde: strekkende tot leesboek voor alle standen hoofdzakelijk tot zelfonderrigt voor jonge lieden, en tot handleiding voor onderwijzers
Auteur: Burg, P. van der
Uitgave: Gouda: G.B. van Goor, 1854
3de, geheel omgewerkte dr.; Oorspr. dr. : 1846
Opmerking: Bevat ook: 'Fondslijst. van den uitgever G.B. van Goor ...' (36 p.)
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 738 F 19
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203607
Onderwerp: Natuurkunde: klassieke fysica: algemeen
Trefwoord: Natuurkunde, Gidsen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Eerste grondbeginselen der natuurkunde: strekkende tot leesboek voor alle standen hoofdzakelijk tot zelfonderrigt voor jonge lieden, en tot handleiding voor onderwijzers
Vorige scan Volgende scanScanned page
281
VIJFDE AFDEELING.
OVER HET GELÜID.
EEN EN VEERTIGSTE LES.
Ontslaan, voorlplanling cn snelheid van het geluid.
Wij zullen thans eenige lessen aan een onderwerp wijden, dat inderdaad veel
aanlokkelijks in zich bevat en in eene ruime mate stoffe oplevert tot nuttige
en verrassende toepassingen; een onderwerp, aangenaam vooral voor hen, die
gaarne de verhevene wijsheid des Scheppers in het geschapene bewonderen. Wij
moeten over hn geluid spreken, en hierbij zal niet alleen gedacht worden aan de
spraak, dat vermogen, waardoor de mensch zich zoo verre boven de dieren ver-
heft, niet alleen aan de bewonderenswaardige inrigting van het gehoor, dat
edele zintuig, door hetwelk wij ons als het ware met zoovele uitingen in de
natuur als in onmiddellijke aanraking stellen, en dat in vereeniging met de spraak
de beschaving van den mensch en de ontwikkeling zijner verstandelijke krach-
ten mogelijk maakt, maar ook zal er het een en ander over eeue der verheven-
ste"kunsten, over de muzijk gezegd worden. Dat wij beginnen met u op eenige
bekende verschijnselen opmerkzaam te maken.
Wanneer men eene tafelschel een weinig schuin houdt, zootlat de tong den
rand raakt en men klopt er met een staaije op, zoo hoort men den tong eene
trillende of bevende beweging tegen de schel maken. — Slaat men eenige too-
nen op eene forte-piano aan, terwijl men de hand op den zangbodem legt, zoo
ontwaart men eene vrij sterke trilling. — Strooit eenige zandkorrols op eene
viool, en strijkt vervolgeus een' toon aan, dan ziet men het zand opspringen en
van de viool vollen. Trilling is hiervan weder de oorzaak. — Wordtin eeite
kamer eeu orgel bespeeld, ontwikkelt het een vrij sterk geluid, en heeft men in
zijne nabijheid vooraf een paar wijnglazen neder gezet, die elkander met hunne
randen bijna aanraken, zoo hoort men de glazen onder het spelen tegen elkander
rinkelen: hier gaat dus weder met het geluid eene trilling of beving gepaard.
En wie kent niet de trillingen, die een kanonschot op zeer groote afstanden zelfs
te weeg brengt?
Deze waarnemingen kunnen wij verder voortzetten: men heeft dit ook bij de
meeste soorten van geluid gedaan, en daardoor de belangrijke waarheid aan het
licht gebragt, ^/(ït aWc geluid veroorzaakt wordt door trillingen of slingeringen van
eenig veérkrachtig ligchaam. En hoe nemen wij die trillingen waar? — Het tril'
lende lichaam deelt de trillingen aan dc lucht, die het van alle zijden omringt, mede;
deze geraakt hierdoor ook in eene golvende beweging, die golvingen verspreiden