Boekgegevens
Titel: Eerste grondbeginselen der natuurkunde: strekkende tot leesboek voor alle standen hoofdzakelijk tot zelfonderrigt voor jonge lieden, en tot handleiding voor onderwijzers
Auteur: Burg, P. van der
Uitgave: Gouda: G.B. van Goor, 1854
3de, geheel omgewerkte dr.; Oorspr. dr. : 1846
Opmerking: Bevat ook: 'Fondslijst. van den uitgever G.B. van Goor ...' (36 p.)
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 738 F 19
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203607
Onderwerp: Natuurkunde: klassieke fysica: algemeen
Trefwoord: Natuurkunde, Gidsen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Eerste grondbeginselen der natuurkunde: strekkende tot leesboek voor alle standen hoofdzakelijk tot zelfonderrigt voor jonge lieden, en tot handleiding voor onderwijzers
Vorige scan Volgende scanScanned page
265
brandend papier in eene kagcliel, op een bijna uitgedoofd vunr gelegd zijnde,
het vuur weder kan doen ontvlammen ; want de vlam van het papier verwarmt
de lucht, doet deze boven het vuur rijzen, terwijl de konde onder door de brand-
stoffen toetreedt, en de ontvlamming bevordert; — waarom men in de opene
vuurhaarden zoogenaamde trekplateu boven het vuur hangt; want daardoor kan
de lucht niet boven het vuur heen door den schoorsteen ontsnajïpen, maar
moet dwars door het vuur toevloeijen. De beweging der warme lucht speelt
in de huishouding der natuur eene gewigtige rol ! — De lucht komt, na zij door
menschen en dieren is ingeademd, verwarmd maar ook bedorven in den damp-
kring terug; zij is derhalve ligter geworden» stijgt naar boven en de koudere
versche lucht treedt in hare plaats. Ook de luchtstroomen of de winden ont-
staan er door. — Bezien wij dit nader!
De zoogenaamde land- en zeewinden, die op de eilanden en de kustlanden
vooral der heete luchtstreek zich doen gevoelen, trekken vooreerst onze aan-
dacht. Zij bestaan daarin, dat bij dag de wind van de zee naar het land waait,
en gedurende den nacht omgekeerd van het land naar de zee. — Bij dag name-
lijk wordt de lucht boven het land door de terugkaatsing der zonnestralen ver-
warmd, en beweegt zich dus door hare ligtheid naar boven, terwijl de koudere
zeelucht hare plaats inneemt, eene verkwikkelijke en liefelijke koelte over het
land verspreidt, en menschen, dieren en planten, die anders van de hitte zouden
kwijnen een nieuw leven bijzet. Des nachts wordt de grond niet verwarmd. De
koude aarde ontneemt ook der lucht hare warmte en zij wordt zwaarder of
digter. De zee evenwel deelt nu de warmte, die zij des daags ontvangen heeft,
en langer dan de aarde bewaart, aan de op haar rustende lucht mede ; deze ver-
warmde lucht wordt ligter, klimt naar boven, en de koude lucht stroomt van
het land af in hare plaats, terwijl die aanstroomende lucht, met allerlei vuile
en schadelijke dampen bezwangerd, door haar vertrek almede lot de groeizaam-
heid en aangenaamheid der eilanden bijdraagt.
Niet minder opmerkelijk zijn de passaatwinden. Gij weet, dat dc aarde van
het westen naar het oosten dagelijks om zich zelve draait, en dat zij tegelijk eene
jaarlijksche beweging heeft om de zon- Gedurende deze bewegingen nu worden
de aarddeelen tusschen de beide keerkringen het meest verwarmd, omdat de
stralen der zon aldaar het meest regtstandig vallen; dien len gevolge wordt de
lucht op die plaatsen steeds uitgezet; dit veroorzaakt eene gestadige luchtstroo-
ming naar boven, en een bestendig stroomen der koude lucht van de Noord- en
Zuid-pool af. Er zou dus altijd in de noordelijke helft der verzengde hichlslreek
een noordewind en in de zuidelijke helft een zuidewind moeten gevoeld worden.
Dit is evenwel het geval niet; want op de eerste plaats is de wind noord-oost en
op de tweede zuid-oost. Dit kan ook niet anders zijn, want de aanstroomende
koude lucht komt voortdurend in den dampkring op plaatsen, dié zich door
de omwenteling der aarde sneller bewegen dan die van waar zij vertrokken is.
Denkt hierbij aan hetgeen over de middelpuntvliedende kracht is gesproken !