Boekgegevens
Titel: Eerste grondbeginselen der natuurkunde: strekkende tot leesboek voor alle standen hoofdzakelijk tot zelfonderrigt voor jonge lieden, en tot handleiding voor onderwijzers
Auteur: Burg, P. van der
Uitgave: Gouda: G.B. van Goor, 1854
3de, geheel omgewerkte dr.; Oorspr. dr. : 1846
Opmerking: Bevat ook: 'Fondslijst. van den uitgever G.B. van Goor ...' (36 p.)
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 738 F 19
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203607
Onderwerp: Natuurkunde: klassieke fysica: algemeen
Trefwoord: Natuurkunde, Gidsen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Eerste grondbeginselen der natuurkunde: strekkende tot leesboek voor alle standen hoofdzakelijk tot zelfonderrigt voor jonge lieden, en tot handleiding voor onderwijzers
Vorige scan Volgende scanScanned page
263
Fig. 134.
met een deel ijzervijlsel of zink, men vangt
het gas, dat zich hieruit ontwikkelt, bo-
ven het water op. Hoe dit werk geschiedt,
heldert fig. 134 op. A is de flesch, waar-
in het zink, het water en het zuur gedaan
wordt; D de bekende veiligheidsbuis on-
der de vloeistof reikende, waardoor men
van tijd tot tijd het zuur kan vermeer-
deren ; E eene buis, waardoor de water-
stof, welke zich uit het mengsel ontwik-
kelt, naar de klok B wordt geleid; C de bekende waterbak.
Het zuivere waterstofgas is kleur-, reuk- en smakeloos, en bijna 15 maal ligter
dan dampkringslucht; want voor dezelfde uitgebreidheden de laatste een pond
wegende, weegt de waterstof slechts 6 looden en^S wigtjes; anderen stellen 6,9268
lood. Het is de ligtste van alle gassoorten. De gewigtsopgave bewijst de juistheid
der bovenstaande maatverhouding ; want 2 maten waterstof geven 2 X 68—136
wigtjes waterstof, en 1 maat zuurstof geeft 1026 wigtjes; nu is 136 wigtjes in 1026
bijna 8 maal begrepen, zoodat 1 gewigtsdeel waterstof en 8 deelen zuurstof water
vormen.—Ten gevolge der Hgtheid van dit gas maakt men er wel gebruik van, om
er luchtbollen mede te vullen. — Die ligtheid blijkt vooral, wanneer men het
waterstofgas in eene blaas verzamelt, deze met de opening onder zeepwater
houdt en het gas in kleine hoeveelheden uit de blaas in het zeepsap drukt; de
zeepbellen, die hieruit ontstaan, stijgen aanstonds naar boven, om dezelfde reden
als waarom olie op het water drijft.
Het waterstofgas is voor de ademhaling ongeschikt. De dieren, die in dit gas
gebragt worden, sterven, omdat zij de zuurstof missen. Het is zeer brandbaar,
geeft, aangestoken zijnde, eene groote hitte, doch kan op zich-zelf niet, even
als de zuurstof, de verbranding van andere stoffen onderhouden. Het vermo-
gen van dit gas om, met de zuurstof der dampkringslucht vermengd, de ont-
branding te bevorderen, is reeds bij de verklaring der platina-lamp vermeld.
Dit geschiedt met ontwikkeling van zeer veel warmte. Indien men een meng-
sel van 2 hoeveelheden waterstofgas cn 5 gelijke hoeveelheden zuurstofgas, dat
men knalgas noemt, ontsteekt, dat is, het warm maakt, ten einde de verbinding
der beide gassoorten te bewerkstellingen, zoo verbrandt het mengsel onder
eenen hevigen slag, en wordt water. En van waar die knal? — Het ontstane
water beslaat slechts het tweeduizendste gedeelte der ruimte, die het gasmengsel
innam; deze plotselinge inkrimping veroorzaakt eene luchtledige ruimte, en het
onmiddellijk sterke aanstroomen en ineen slaan der dampkringslucht heeft dien
slag ten gevolge. Laat men eenen stroom van water- en zuurstofgas op kalk of
krijt spelen, dat, zooals gij weet, veel koolzuur bevat, en ontsteekt men wa-
terstofgas, zoo ontstaat er een bovenmate verblindend licht. Men gebruikt dit
licht bij s^Hfeiige mikroskopen.