Boekgegevens
Titel: Eerste grondbeginselen der natuurkunde: strekkende tot leesboek voor alle standen hoofdzakelijk tot zelfonderrigt voor jonge lieden, en tot handleiding voor onderwijzers
Auteur: Burg, P. van der
Uitgave: Gouda: G.B. van Goor, 1854
3de, geheel omgewerkte dr.; Oorspr. dr. : 1846
Opmerking: Bevat ook: 'Fondslijst. van den uitgever G.B. van Goor ...' (36 p.)
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 738 F 19
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203607
Onderwerp: Natuurkunde: klassieke fysica: algemeen
Trefwoord: Natuurkunde, Gidsen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Eerste grondbeginselen der natuurkunde: strekkende tot leesboek voor alle standen hoofdzakelijk tot zelfonderrigt voor jonge lieden, en tot handleiding voor onderwijzers
Vorige scan Volgende scanScanned page
226
ren cilinder P, hangende aan eenen ketting, die over schijven H li loopt, en
welks andere einde F eene plaat draagt, schoorsteenregister of demper genaamd,
die volmaakt in evenwigt is met met de zwaarte van den cilinder P, na aftrek
van hetgeen deze in het water aan gewigt verliest. De plaat F beweegt zich
vrij tusschen groeven, en vernaauwt of verwijdt derhalve de schoorsteen-opening,
naarmate het water in de buis rijst of daalt, ten gevolge waarvan de trekking
van den schoorsteen, de sterkte van het vuur, en insgelijks de spanning van den
stoom vermeerdert of vermindert, totdat deze laatste op de vereischte maat is
gekomen, zijnde zij altijd verbeneden die, welkeer vereischt wordt tot het op-
tillen der veiligheidsklep c.
Dewijl het noodzakelijk is, het water in den ketel juist op dezelfde hoogte te
houden, zoo heeft men daartoe het navolgende middel uitgedacht.
Bovenop de buis G G is een waterbak bevestigd, in wiens midden een koker
staat, waardoor de ketting van het schoorsteenregister zich vrij kan bewegen,
zooals in de figuur duidelijk te zien is. ïn den bodem van den waterbak bevindt
zich eene opening, gedekt door eene klep A-, waardoor zich water in de buis
G G kan storten. Gezegde klep is door eene stang bij n aan eenen hefboom van
de le soort gmn h verbonden, die in m om eenen steun draait, welke op den
rand van den waterbak is bevestigd. Aan het einde^ van dien hefboom gaat
eene dunne ijzeren roede naar beneden, dringt door het bovendeel van den ke-
tel, zonder stoom door te laten, en draagt aan het ondereind eenen zooge-
naamden steenen drijver K, voor een gedeelte in het water van den ketel ge-
dompeld. Het gewigt van den drijver K, na aftrek van hetgeen hij in het water
daarvan verliest, is zoodanig met dat van het in h aangehangen tegenwigt ge-
regeld, dat de klep k, wanneer de ketel op zijne juiste hoogte is gevuld, wordt
gesloten gehouden. Vermindert het water in den ketel, dan zal natuurlijk de
drijver A" moeten volgen, aangezien hij bij een gedeeltelijk uit het water tillen
zwaarder moet worden. Door dit dalen daalt ook de hefboomsarm gm, terwijl
mn rijst; de opening k wordt dien ten gevolge ontsloten en het water stroomt
nu uit den waterbak zoo lang in de pijp GO, tot het op de vereischte hoogte
in den ketel geklommen is, waarna de klep zich ook weder sluit. De buis G G
noemt men zeer eigenaardig voedin-jsbiiis.
Niettegenstaande dezen schrander uitgedachten toestel, zou het kunnen plaats
hebben, dat het een en ander miste. Teneinde zich derhalve te overtuigen, of
het water op de vereischte hoogte in den ketel staat, heeft de bestuurder slechts
de beide peilkranen tv en s te openen, om zeker van zijne zaak te zijn ; want de-
wijl de eerste met het sterk gedrukt wordende water en de tweede met den
tlaarop rustenden stoom in n erband staat, zoo blijkt, indien door de eerste water
endoor de tweede stoom vloeit, dat de hoeveelheid water voldoende is Meestal
bevindt er zich buiten aan den ketel eene tweemaal regthoekig omgebogene gla-
zen buis, die met het eene einde in het water van den ketel en met het andere
erboven reikt, zoodat men daarin den stand van het water kan waarnemen.