Boekgegevens
Titel: Eerste grondbeginselen der natuurkunde: strekkende tot leesboek voor alle standen hoofdzakelijk tot zelfonderrigt voor jonge lieden, en tot handleiding voor onderwijzers
Auteur: Burg, P. van der
Uitgave: Gouda: G.B. van Goor, 1854
3de, geheel omgewerkte dr.; Oorspr. dr. : 1846
Opmerking: Bevat ook: 'Fondslijst. van den uitgever G.B. van Goor ...' (36 p.)
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 738 F 19
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203607
Onderwerp: Natuurkunde: klassieke fysica: algemeen
Trefwoord: Natuurkunde, Gidsen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Eerste grondbeginselen der natuurkunde: strekkende tot leesboek voor alle standen hoofdzakelijk tot zelfonderrigt voor jonge lieden, en tot handleiding voor onderwijzers
Vorige scan Volgende scanScanned page
224
den zuiger/i drukkende, drijtt dezen naar beneden, dewyl hieronder geen te-
genstand meer gevonden wordt ■ Dit drukvermogen is groot genoeg, om den
anderen arm der balans met het gewigt o, den pompzuiger en het water, dat
er boven op staat, in de hoogte te heffen en het laatstgenoemde boven aan de
pomphuis te doen wegvloeijen. Is de zuiger d nabij den bodem van den cilinder
gekomen, zoo sluit men de injectie-kraan r en opent weder de kraan c. Het wa-
ter, dat nu door de buis </ q is ingestroomd, en dat, hetwelk door verdikking van
den stoom in den cilinder is ontstaan, wordt door den toevloejjenden stoom
cr weder uitgedreven; het ontlast zich bij t; de met het injectiewater binnen
gekomen lucht ontwijkt door de snuifklep. Weldra is de zuiger d weder boven
aan in den cilinder, en de pompstang rn met haren zuiger in het water gedaald;
oj)ent men bij herhaling de kraan r, dan kan men aldus voortgaande eene op-
en nedergaande beweging van de zuigers onderhouden, waardoor het water
uit den put n kan worden opgevoerd. Een jongen, bij het werktuig (machine)
geplaatst, heeft niets anders te doen, dan op behoorlijken tijd de kranen r en c
te openenen te sluiten, en met deze geringe hulp venigt het werktuig onver-
moeid den arbeid van een groot aantal manschappen. Men noemt de beschre-
vene inrigting een atmospherisch stoomwerktuig ; die naam is afgeleid van de
lucht<lrukking boven op den zuiger.
Het blijkt uit dezen toestel, dat er toch nog hulp verelscht Wordt, om het
werk in gang te houden. Er moet iemand zijn, oin den waterbak /»aan te vul-
len ; iemand om te zorgen, dat het verkookte water in den ketel door ander
wordt vervangen ; nog iemand om toe te zien, dat het vuur niet te hard brande,
opdat het water doorde hitte geene te groote hoeveelheid sloom geve, want dit
zou het springen van den ketel of het nutteloos gebruik van brandstof ten ge-
volge kunnen hebben. Men heeft getracht, om al dit werk door de machine
zelve te laten verrigten, en waarlijk men is hierin van tot tijd na vele eu on-
vermoeide pogingen uitmuntend gi^slaagd. De man, die in dit opzigt zijn' naam
onsterfelijk heeft gemaakt, is de Engelschman Jacob Watt, in 1819 overleden.
De volgende afbeelding (zie fig. 128) geeft een overzigt over de voornaamste
deelen, welke men thans bijna aan alle stoomwerktuigen vindt. Al die deelen
zijn niet juist zoo met betrekking tot elkander geplaatst, als men dit gewoon
is; evenmin zijn de kleinere stukken, de verbindingsbalken en kolommen aan-
gegeven, die het gemak bevorderen, het geheel schragen, en in verband hou-
den ; want ik wilde u slechts de hoofddeelen er van doen kennen, en u die zoo-
veel mogelijk allen zigtbaar voorstellen. \Veet, dat dit vrij zamengestelde ge.
heel, dat groot aantal uiteenloopende stukken, niet zelden zoo beknopt en
sierlijk is aan elkander verbonden, dat bet waarlijk een fraai jn'onkstuk gelijkt.
Zoo mende gegeven afbeelding eehter wel verstaat, zal men elk ander stoom-
werktuig, hoe oogenschijuhjk in constructie van onze teekening afwijkende, zeer
goed doorzien.
Het eerst komt in aanmerking de plaats, waar de stoom ontwikkeld wordt.