Boekgegevens
Titel: Eerste grondbeginselen der natuurkunde: strekkende tot leesboek voor alle standen hoofdzakelijk tot zelfonderrigt voor jonge lieden, en tot handleiding voor onderwijzers
Auteur: Burg, P. van der
Uitgave: Gouda: G.B. van Goor, 1854
3de, geheel omgewerkte dr.; Oorspr. dr. : 1846
Opmerking: Bevat ook: 'Fondslijst. van den uitgever G.B. van Goor ...' (36 p.)
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 738 F 19
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203607
Onderwerp: Natuurkunde: klassieke fysica: algemeen
Trefwoord: Natuurkunde, Gidsen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Eerste grondbeginselen der natuurkunde: strekkende tot leesboek voor alle standen hoofdzakelijk tot zelfonderrigt voor jonge lieden, en tot handleiding voor onderwijzers
Vorige scan Volgende scanScanned page
INLEIDING.
Hoe meer men den lust tot onderzoek, de zucht om het onbekende te door-
gronden , door den Schepper in elk redelijk wezen gelegd, voedsel geeft,
hoe meer men moet opmerken, dat alle takken van menschehjke kennis schijn-
baar ongelijksoortige wortels uitmaken van één' sLam, die door deze gevoed,
weldadig zijne tallooze armen in allerlei rigtingen over ons aardbewoners uit-
breidt. Begint men de geaardheid van een' der wortcltakken na te vorscheu,
men vindt zich weldra verpligt, om ook de andere in zijn onderzoek op te nemen,
want zij zijn als 't ware onafscheidelijk aan elkander verbonden. Zoo heeft ook
elke wetenschap, elk ordelijk stelsel van weten de hulp van andere weten-
schappen, hoe ook schijnbaar in soort verschillend, noodig, zal zij voor hare
beoefenaars verstaanbaar worden. Hoe meer men derhalve onderzoekt, en
langs dezen weg zijne verstandelijke krachten voedt, hoe meerook de overtui-
ging levendig wordt, dat er nog onbegrijpelijk veel te leeren overblijft. Ik wil
beproeven om in de volgende bladen de beginselen eener wetenschap te onder-
wijzen, die de beoefening van vele andere zeer voordeelig in de hand werkt, of
gemakkelijk maakt en durf mij vleijen, dat gij, die dat onderwijs met aandacht
wilt volgen, haar onder de aangenaamste en nuttigste zult rangschikken, waar-
mede gij u tot dus verre aanvankelijk hebt bezig gehouden. Of is het niet aange-
naam, de waarheid van schier elke stelling, die men hoort voordragen, door de
dagelijksche ondervinding te kunnen zien bevestigen? Is het niet aangenaam en
nuttig tevens, om in het gebied eener wetenschap te worden ingeleid, die in eene
hooge mate het verstand opklaart, voedt en versterkt, het hart tot God verheft,
diens verhevene magt, onpeilbare wijsheid en grenzelooze liefde middagklaar
openlegt; die, ons van ijdele vreeze, bijgeloof en ongeloof bevrijdt, en
daardoor onze rust en ons genoegen verzekert? — En welke is die hoog geroemde
1