Boekgegevens
Titel: Eerste grondbeginselen der natuurkunde: strekkende tot leesboek voor alle standen hoofdzakelijk tot zelfonderrigt voor jonge lieden, en tot handleiding voor onderwijzers
Auteur: Burg, P. van der
Uitgave: Gouda: G.B. van Goor, 1854
3de, geheel omgewerkte dr.; Oorspr. dr. : 1846
Opmerking: Bevat ook: 'Fondslijst. van den uitgever G.B. van Goor ...' (36 p.)
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 738 F 19
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203607
Onderwerp: Natuurkunde: klassieke fysica: algemeen
Trefwoord: Natuurkunde, Gidsen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Eerste grondbeginselen der natuurkunde: strekkende tot leesboek voor alle standen hoofdzakelijk tot zelfonderrigt voor jonge lieden, en tot handleiding voor onderwijzers
Vorige scan Volgende scanScanned page
179
gcr, die de klep o afsluit. Zulke ruimten noemt men bij de luchtpomp schadc
hjke ruimte. Het werktuig in fig. 99 moge, wel is waar, eene onvolledige af-
beelding geven, de schadelijke ruimte daar zeer groot zijn, zij is bij de vol-
maaktste werktuigen toch meer of min aanwezig. Fig. 99a stelt eene inrig-
ting van de pompbuis en den zuiger
Fig. 99n. voor, waar de gezegde ruimte nage-
noeg geheel ii weggenomen. A A is
de pompbuis, c c de zuiger uit vil-
ten of lederen schijf es zamengesteld,
die dóór het metalen kegelvormige
stuk b vast op elkander worden go-
perst. Dit uiteinde 6 past volmaakt
in de kegelvormige ruimte e van de
buis. De kraan g beeft twee openin-
gen : de eene, e i, voert de lucht bij
het nederdrukken van den zuiger
naar buiten. De andere A, die men
verkort ziet, wordt door eene kwart
omdraaijing van de kraan^ tegen-
over de opening e gebragt, en stelt
dan de gemeenschap daar tusschen
de pompbuis en het kanaal k, dat
naar de klok voert, die men lucht-
ledig wil maken. Men ziet dat er op
deze wijze eene zeer geringe scha-
delijke ruimte aanwezig is. De klep
van den zuiger valt natuurlijk bij
zulk eene inrigting geheel weg.
Eene tweede oorzaak, waarom er geene zuivere luchtledigheid kan verkregen
worden, ligt in de omstandigheid, dat alleen de lucht door hare spankracht moet
verwijderd worden. Laat de ruimte, begrepen tusschen den zuiger in fig. 99, wan-
neer deze boven aan is, en de kraan g, deel zijn van die der klok k, dan zal,
bij het eerste rijzen en daaropvolgend nederdrukken van den zuiger, de klok
nog .j."^ van hare vroegere hoeveelheid lucht bezitten. Bij den tweeden op- en
nedergang verdwijnt er weder ^^^ van deze .j.®^ of van het oorspronkelijke
volume lucht; dit gedeelte van of afgetrokken zijnde, blijft er van '
de eerste hoeveelheid lucht over. Op deze wijze kan men tot iu het oneindige
voortgaan, en hoewel dan het overschot nog hoogst gering is, kan men toch
niet wel beweren, dat alle lucht verdwenen is
Bij sommige luchtpompen wordt de kraan g bij het ophalen van den zuiger
van zelf geopend. Kleppen verilienen intusschen altijd de voorkeiir boven
kranen, omdat deze laatste door een herhaald gebruik afslijten. Men ziet