Boekgegevens
Titel: Eerste grondbeginselen der natuurkunde: strekkende tot leesboek voor alle standen hoofdzakelijk tot zelfonderrigt voor jonge lieden, en tot handleiding voor onderwijzers
Auteur: Burg, P. van der
Uitgave: Gouda: G.B. van Goor, 1854
3de, geheel omgewerkte dr.; Oorspr. dr. : 1846
Opmerking: Bevat ook: 'Fondslijst. van den uitgever G.B. van Goor ...' (36 p.)
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 738 F 19
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203607
Onderwerp: Natuurkunde: klassieke fysica: algemeen
Trefwoord: Natuurkunde, Gidsen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Eerste grondbeginselen der natuurkunde: strekkende tot leesboek voor alle standen hoofdzakelijk tot zelfonderrigt voor jonge lieden, en tot handleiding voor onderwijzers
Vorige scan Volgende scanScanned page
in
Proeven hebben bevestigd, dat in de nabijheid van de monden der rivieren
het bovenste zoet- en het onderste zeewater is.
EEN EN DERTIGSTE LES.
Werking Inssclien de moleculen der vochlen onderling,
eo Inssclien die der wanden van het val en de
vochten, die zij omsluiten.
Wanneer in fig. 98a ab een watermolecule voorstelt, dan zal (zie bladz. 135)
de middelste cirkel de bolvormige ruimte kunnen af beel-
hg. 98a. waartoe zich de afstooting van elk waterdeeltje uit-
strekt, terwijl c dde spheer, waarin de aantrekking werk-
zaam is, kan voorstellen. Ligt nu een molecule boven aau
de vochtoppervlakte, binnen den kring van aantrekking van
een daaronder liggend waterdeel, gelijk altijd moet plaats
hebben als een gevolg van de ondejikbare kleinheid der
moleculen en den onmeetbaar kleinen afstand, waarop die
aantrekking zich uitstrekt, zoo verkrijgt dit waterdeeltje eene neiging, om zich
naar binnen in de vloeistof te bewegen. Daardoor verkeeren sommige vocht-
deelen aan de oppervlakte voortdurend in een' staat van spanning, die vooral
merkbaar wordt, wanneer een ligchaam vau uiet groote afmeting op de opper-
vlakte wordt geplaatst. Van daar dat sommige insecten, zooals muggen en der-
gelijken over de wateroppervlakte kunnen loopen; vandaar dat een bal, soortelyk
e^•en zwaar als water, aan de oppervlakte als het ware blijft hangen, en zelfs
die oppervlakte daardoor eene benedenwaarts gekeerde rigting verkrijgt. Ligt een
molecule binnen de spheer van afstooting van een zich daaronder bevindend wa-
terdeel, zoo openbaart zich hierbij eene neiging, om zich meer te verwijderen.
Het gevolg hiervan is, dat er gestadig waterdeelen in de lucht worden gevoerd,
die onmiddellijk op het water rust. Aangaande deze laatste waarheid zullen
wij later uitvoeriger zijn.
Na deze werking der vochtatomen, voor zooverre dit voor deze beginselen
verstaanbaar is, te hebben beschouwd, moeten wij nog in aanmerking nemen r
1°. de werking van verschillende vochten op elkander; 2°. die van vochten op
vaste ligchamen; 3°. van vochten op gasvormige vloeistoffen. Het laatstgenoem-
de gedeelte zullen wij moeten besparen, tot wij de eigenschappen van de lucht
beter hebben leeren kennen. Wat het eerste punt betreft, wij zien het aan-
trekkend vermogen van vochten op elkander al aanstonds door een' tlruppel
olie op water te laten vallen. Deze spreidt zich over dc gansche oppervlakte van
het water uit, en vertoont zelfs haar aanwezen nog zoo verre \erwijderd van
de plaats, waar de druppel viel, dat wij zulks niet zouden vermoeden. Hetzelfde
verschijnsel doet zich op, wanneer men eenen druppel water op enne kwikop-