Boekgegevens
Titel: Eerste grondbeginselen der natuurkunde: strekkende tot leesboek voor alle standen hoofdzakelijk tot zelfonderrigt voor jonge lieden, en tot handleiding voor onderwijzers
Auteur: Burg, P. van der
Uitgave: Gouda: G.B. van Goor, 1854
3de, geheel omgewerkte dr.; Oorspr. dr. : 1846
Opmerking: Bevat ook: 'Fondslijst. van den uitgever G.B. van Goor ...' (36 p.)
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 738 F 19
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203607
Onderwerp: Natuurkunde: klassieke fysica: algemeen
Trefwoord: Natuurkunde, Gidsen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Eerste grondbeginselen der natuurkunde: strekkende tot leesboek voor alle standen hoofdzakelijk tot zelfonderrigt voor jonge lieden, en tot handleiding voor onderwijzers
Vorige scan Volgende scanScanned page
159
94.
zwaartepunt van den geheelen toestel zeer laag te doen vallen,
zooclat deze, in het water gelaten zijnde, overeind hlijft drij-
ven. Men noerat dit werktuig en alle andere van dezen aard a/eo-
mctery een woord van griekschen oorsprong, hetwelk beteekent
verdunningsmeter. Indien men nu dezen Nicholson sehen areo-
meter in het water dompelt, zinkt hij niet dieper dan op de
helft van het ligchaam c. Legt men in het schaaltje a of het
korQe d een of ander ligchaam, zoo daalt het werktuig dieper;
de inrigting is evenwel van dien aard, dat men bij dezen last
niets meer mag voegen, wanneer het werktuig gezonken is tot
aan het streepje b, dat op het staaQe is gevijld. Laat ons nu
eens onderzoeken welk gebruik men hiervan kan maken, bij
het bepalen van het specifiek gewigt der verschillende stoffen.
Men verlangt het soortelijk gewigt te kennen van vasle stoj-
fen, die zwaarder zijn dan water en daarin onoplosbaar Er zij ge-
vraagd naar het soortelijk gewigt van den diamant. Men legt
dit edelgesteente in het schaaltje a en voegt er zooveel gewigt
bij, tot het werktuig in het water tot aan het punt b daalt.
Vervolgens neemt men den diamant weg, en legt in zijne plaats
zooveel gewigt, dat de areometer op nieuw tot het punt b zinkt. Zij dit bijge-
voegde gewigt 12 korrels, dan is daardoor bekend geworden, dat het ware ge-
wigt van het stukje diamant 12 korrels is. Nu neemt men den diamant
uit het schaaltje a en legt hem in het korfje d; thans blijkt, dat, niettegen-
staande het gewigt op de schaal u overanderd is gebleven, het werktuig niet
meer zoo diep zinkt. De reden h'ervan is bekend: de diamant kon in het
water niet zooveel drukkracht op het werktuig uitoefenen, als toen hij in het
schaaltje lag, want hij heeft iets aan zwaarte verloren. Men legt nu zoo lang
gewi^jt in de schaal a bij datgene, wat er in is blijven liggen, tot het streepje
b weder juist aan de oppervlakte van het water reikt. Stelt dit bijgevoegde ge-
wigt 3,4 korrels, dan is dit juist het verlies aan zwaarte, dat de diamant ge-
leden heeften ook juist de zwaarte van eene hoeveelheid waJers zoo groot als
de steen. Men heeft gevonden, dat deze laatste in de lucht 12 korrels, cn eene
hoeveelheid waters gelijk aan zijnen omvang slechts 3,4 korrels weegt ; deelt
men die 2 getallen in elkander, dan geeft de uitkomst het soortelijke gewl jt van
12
den steen aan, namelijk = 3,53; er is nu bekend, dat 1 kub. duim dia-
mant omtrent 3 wigtjes 5,3 korrel wegen zal, want I kub. duim.water weegt
1 wigtje.
Men vraagt het soortelijk gewigt te bepalen van ligchamen, die ligter zijn
dan water.
Met den areometer van Nicholson kan deze vraag met eenige oplettendheid
op soortgelijke wijze als de eerste beantwoord worden ; men zorge slechts, dat