Boekgegevens
Titel: Eerste grondbeginselen der natuurkunde: strekkende tot leesboek voor alle standen hoofdzakelijk tot zelfonderrigt voor jonge lieden, en tot handleiding voor onderwijzers
Auteur: Burg, P. van der
Uitgave: Gouda: G.B. van Goor, 1854
3de, geheel omgewerkte dr.; Oorspr. dr. : 1846
Opmerking: Bevat ook: 'Fondslijst. van den uitgever G.B. van Goor ...' (36 p.)
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 738 F 19
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203607
Onderwerp: Natuurkunde: klassieke fysica: algemeen
Trefwoord: Natuurkunde, Gidsen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Eerste grondbeginselen der natuurkunde: strekkende tot leesboek voor alle standen hoofdzakelijk tot zelfonderrigt voor jonge lieden, en tot handleiding voor onderwijzers
Vorige scan Volgende scanScanned page
m
•waarom eene diepe kloof in eene rots, indien /.ij door den regen wordt ge-
vuld, de oorzaak kan zijn, dat de rots vaneen splijt.
Uit hetgeen aangaande het waterpas der vloeistoffen is vermeld, verklaart
men:
het springen der fonteinen ;
waarom men zonder een vat te openen, door middel eener zijdelings aan-
gehragte buis, kan zien, hoe hoog er de vloeistof in staat;
wat de oorzaak is van het ontstaan der bronnen en wellen;
waarom er in de nabijheid van rivieren en stroomen altijd grondwater
wordt gevonden, dat met den stroom rijst en daalt;
waarom de rivieren slechts eene geringe helling behoeven om zeewaarts te
stroomen, en zij breeder zijn naar gelang die helling kleiner is ;
waarom in lampen van cirkelvormige holle randen voorzien, door eene en-
kele pyp, die van dien rand af benedenwaarts loopt, de olie tot boven in de
middelpijp kan opklimmen, mits men zorge, dat de cirkelvormige rand tot om-
trent op de hoogte van den rand der pijp reike.
NEGEN EN TWINTIGSTE LES.
De grondslelliiig van Arcliiniedes. De soortelijke
zwaarte der ligchamen.

AVij hebben in de voorgaande les de aantrekkingskracht der aarde als de
oorzaak leeren kennen van verschijnselen, schijnbaar geheel met haar in strijd ;
als daar zijn de watersprongen, die zich bijna tot op dezelfde hoogte verheffen,
als het waterpas ligt der massa, waaruit zij hunnen oorsprong nemen ; de nei-
ging van het in een vat of eene andere ruimte besloten vocht, om zich een' door-
togt te banen; het opstijgen van het water uit de onderaardsche holen en l et
daaruit ontstaan der bronnen en fonteinen, enz.
Thans zal mende zwaartekracht zien optreden als de oorzaak, waarom ligte
ligchamen van onder de oppervlakte des waters naar boven stijgen, steenen en
metalen de diepte zoeken, de visch zwemmende daalt en klimt naar welgeval-
len, de mensch door oefening die beweging kan nabootsen, ijzeren schepen
doorgaans nog ligter of ondieper op het watervlak zweven dan houten, enz.
Men stelle zich voor een glas A (zie fig. 89«), waarin men aan het boveneind,
door middel van een stalen staafje en een weinig terpentijnolie, eene opening
heeft geboord, terwijl er in die opening een naar beneden gebogen blikken of
koperen pijpje a is bevestigd. Dit glas zij tot juist aan die opening met water
gevuld. Men werpt hierin een' metalen, steenen of ivoren bal «, welks inhoud
niet bekend is; er vloeit nu uit het buisje eene hoeveelheid water, die men kan
opvangen in het glas li. Weegt men nu het uitgeloopene water, zoo kent men
den inhoud of de grootte van den bal. Drukt men toch dit gewigt in grammen