Boekgegevens
Titel: Eerste grondbeginselen der natuurkunde: strekkende tot leesboek voor alle standen hoofdzakelijk tot zelfonderrigt voor jonge lieden, en tot handleiding voor onderwijzers
Auteur: Burg, P. van der
Uitgave: Gouda: G.B. van Goor, 1854
3de, geheel omgewerkte dr.; Oorspr. dr. : 1846
Opmerking: Bevat ook: 'Fondslijst. van den uitgever G.B. van Goor ...' (36 p.)
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 738 F 19
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203607
Onderwerp: Natuurkunde: klassieke fysica: algemeen
Trefwoord: Natuurkunde, Gidsen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Eerste grondbeginselen der natuurkunde: strekkende tot leesboek voor alle standen hoofdzakelijk tot zelfonderrigt voor jonge lieden, en tot handleiding voor onderwijzers
Vorige scan Volgende scanScanned page
1.57
riij. 87fl.
palm grootte, men zon clan 30 pond tegendrnkking noodig hebben, om het wa-
ter uit het schip te honden; want het watervlak ligt 30 palm boven de opening
van het gat. Welk eene drukking moeten dus de levende schepselen niet on-
dervinden, die de diepte der zeeën bevolken !
Ten einde de drukking van onder naar boven zigtbanr temaken, neemt men
een wijd lampeglas A (zie fig. 87«) en slijpt den onderrand daarvan eerst
met fijn zand, daarna met fijne tripel
goed gehjk en glad af. Als bodem gebruikt
men of eene zuiver vlakke glazen plaat of
eene tamelijk zware koperen plaat; in het
mitldender schijf maakt men met zegellak of
aan een in het koper bevestigd haakje, eeitcn
draad C vast. Wanneer men nu den draad
door het glas A haalt, <Ien bodem B er alzoo
goed tegen aan trekt, en den op die wijze
geslotenen cilinder in een wijder vat D met
water duwt, zoo kan men den draad losla-
ten, want de losse bodem B wordt mi tegen het glas gedrukt, men kan nu zelfe
water \\\A gieten, en de bodem zal dan eerst in het vocht D zinken, wanneer
het water binnen en buiten A omtrent even hoog staat. De op- en netler-
waartsche drukkingen maken alsdan evenwigt.
jNIaar hoedanig zal de drukking op de zijwanden van een vat zijn, dat met
water gevuld is? Bij de beantwoording dezer vraag zullen wij slechts, om het
niet te moeijelijk te maken, de wanden, die loodregt of verticaal staan, in aan-
merking nemen.
In fig 80 heeft men gezien, dat de bovenste laag ef niets heeft te dragen;
bij ge\olg heeft ook hier geene zijdelingsche drukking j>laats. Bij de laag^ h
is de loodregte en dus ook de zijdelingsche drukking, daar zij zich in alle rig-
tingen op gelijke wijze voortplant, die van ééne laag; bij ik die van twee la-
gen, enz. Bij gevolg is de horizontale of zijdelingsche drukking aan den boilem
weder gelijk aan al de lagen. Heeft men bij voorbeeld een' put van 10 el
diepte, vol water, zoo bedraagt de drukking op eiken vierkanten duim vandt^i
zijwand, op eene diei)te van eene el of 100 duim, het gewigt van 100 X 1 kiib*
duimen of 100 wigtjes (grammen) water; op eene diepte van 2 el 200 wigtjes,
enz. Dit geldt evenwel alleen voor zulk eene kleine oppervlakte; want het
hoogste gedeelte dezer vierk. duim opper\lakte van den zijwand ligt zoo weinig
boven zijn laagste punt >erheven, dat men de drukking o\er die kleine opper-
vlakte kan aannemen gelijk te zijn. Bedrukking op den zijwand is dus over zijt te
geheele vlakte zeer verschillend, terwijl tle drukking op den bodem overal ilezelfdu
is. Boven het midden van dat gedeelte der zijwanden, hetwelk door de vloei-
stof wordt aangeraakt, zal dus do drukking zoo veel minder zijn dan de helft
der lagen, als zij ont/cr dat midden meer is daii die helft. De geheele drukking