Boekgegevens
Titel: Eerste grondbeginselen der natuurkunde: strekkende tot leesboek voor alle standen hoofdzakelijk tot zelfonderrigt voor jonge lieden, en tot handleiding voor onderwijzers
Auteur: Burg, P. van der
Uitgave: Gouda: G.B. van Goor, 1854
3de, geheel omgewerkte dr.; Oorspr. dr. : 1846
Opmerking: Bevat ook: 'Fondslijst. van den uitgever G.B. van Goor ...' (36 p.)
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 738 F 19
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203607
Onderwerp: Natuurkunde: klassieke fysica: algemeen
Trefwoord: Natuurkunde, Gidsen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Eerste grondbeginselen der natuurkunde: strekkende tot leesboek voor alle standen hoofdzakelijk tot zelfonderrigt voor jonge lieden, en tot handleiding voor onderwijzers
Vorige scan Volgende scanScanned page
1118
lioofjzakelijk daaruit, dat liet geene lucht meer in zich hevat; daarom is het
ook als drank ongeschikt. Het kan ook aau dit verlies van lucht worden toe-
geschreven, dat koud water, hetwelk vooraf is gekookt, ook eenen hij/.onderen
sujaak heeft.
Behalve door overhalen, zuivert men ook het water door koolstof (zie
hiadz. 47). Te dien einde wordt de heenderen- of plantenkool, tot poeder ge-
stampt, in het water gewori)en, vervolgens hierin eenige druppels zwavelzuur
gedaan, alles onder elkander geroerd, en ten laatste de vloeistof door eenen
linnen doek gegoten. Op deze wijze kan men ook brandewijn, olie, honig,
stroop, enz. reinigen.
Yan zeer veel gewigt zijn de middelen ter zuivering van het water \oor den
zeeman. Sedert eenigen tijd worden onze zeeschepen van distilleer toestellen
voorzien, die reeds uitmuntende vruchten hebben opgeleverd, door het drink-
baar maken \an het zeewater.
De oHfloordrinyhfiarlund c\\ xthzclbanrheid van het water zijn reeds hij de be-
handeling der algenieene eigenschappen vermeld. Deze laatste eigenschap doet
zich bij de vochten in eene liooge mate kennen, wanneer men ze door ko-
ken tot damp doet overgaan. Kene kan water vult in den toestand van stoom
eene ruimte van 1700 kan. Zoo lang het evenwel nog niet luchtvormig is ge-
worden, is de uitzetting niet zeer aanmerkelijk.
Kr doet zich, wat deze eigenschap l>etreft, bij liet water een vreemdsoortig
verschijnsel up. De uitgehreidheid dezer \loeistof neemt af tot op eenen zeke-
ren graad van koude; wordt zij hierna voortdurend kouder gemaakt, zoo
begint zij zich nit te zetten, en neemt plotseling eene aanmerkelijk groot<Te
uitgebreidheid in, zoodra zij in ijs verandert. Men schrijft dit daaraan toe, dat
de atomen, nadat het water zekeren graad van koude heeft bereikt, zich als
het ware gereedmaken, om de stelling aan te nemen, die zij moeten verkrijgen,
wanneer de vloeistof zich zal kristalli.seren (zie de 11® les). Waarschijnhjk ver-
wijderen de moleculen zich bij deze gedaanteverwisseling meer \an elkander.
Dc kracht, waarmede dit geschiedt, is verbazend groot. Zij doet dikwijls zware
steenen bakken aan stukken springen, metalen pijpen, door welke het water
wordt geleid, scheuren, vaten van aarde of glaswerk bersten, de met vocht opgevul-
de boomen en planten splijten, enz. In het arsenaal te Warschau zijn van 1828
tot 1829 proeven genomen aangaande de kracht van het water bij het bevrie-
zen. Een houwitser, ruim 17 duim in middellijn van gegoten ijzer van 3 duim
dikte, werd met water gevidd bij eene koude, streng genoeg om het te doen
bcM'iezen, en vervolgens de opening met eene schroefvast gesloten. Na ver-
loop Nan 7 uren was de kogel gebarsten, en een stuk er van tot op zelfs 3 el
afstands voortgeslingerd. Het ijs in den kogel was nog maar 4 duim dik toen
de uitbarsting plaats greep. ]Men ziet hieruit, dat men bij vrieskoude geene
bakken, vaten, flesschen of dergelijke voor^verpen met water moet gevuld laten,
wanneer zij aan de buitenlucht zijn blootgesteld.